Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200701358/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak / toestemming afdoening zonder zitting

In het tegen het besluit van 12 februari 2007 ingestelde beroep heeft de vreemdeling vermeld: "Geen zitting nodig, graag heden uitspraak verzocht". Vervolgens heeft de rechtbank op 13 februari 2007 met toepassing van artikel 8:67 van de Awb mondeling uitspraak gedaan. Nog daargelaten dat dit wetsartikel niet de mogelijkheid biedt zonder onderzoek ter zitting mondelinge uitspraak te doen, heeft de rechtbank blijkens de stukken de Minister van Justitie (hierna: de minister) niet verzocht om toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb en heeft de minister zodanige toestemming ook niet verleend. De rechtbank heeft door de zaak zonder behandeling ter zitting af te doen, gehandeld in strijd met laatstgenoemd artikel. Het betoog van de vreemdeling dat de rechtbank ingevolge artikel 8:54, aanhef en onder d, van de Awb het beroep kennelijk ongegrond kon verklaren, miskent dat de rechtbank daaraan geen toepassing heeft gegeven en gelet op artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 ook niet kon geven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701358/1.

Datum uitspraak: 30 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/6565 van de rechtbank 's Gravenhage van 13 februari 2007 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2006 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 12 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door de vreemdeling tegen voortduring van de maatregel van bewaring ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Bij besluit van 12 februari 2007 is de vreemdeling wederom in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 februari 2007, verzonden op 15 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 februari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van de vreemdeling dat de Afdeling niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep, nu sprake is van een zogenoemd vervolgberoep, miskent dat bij het besluit van 12 februari 2007 een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Het daartegen ingestelde beroep is derhalve door de rechtbank terecht aangemerkt als een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

2.2. Het betoog van de vreemdeling dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, omdat de staatssecretaris daarbij geen procesbelang heeft, nu de vreemdeling op 13 februari 2007 in vrijheid is gesteld, faalt eveneens, reeds omdat het hoger beroep zich tevens richt tegen de door de rechtbank aan de vreemdeling toegekende schadevergoeding.

2.3. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. Ingevolge artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op grond van deze bepaling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en de minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord.

Ingevolge artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, kan de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen.

Ingevolge artikel 8:57 van de Awb kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek.

2.5. In het tegen het besluit van 12 februari 2007 ingestelde beroep heeft de vreemdeling vermeld: "Geen zitting nodig, graag heden uitspraak verzocht". Vervolgens heeft de rechtbank op 13 februari 2007 met toepassing van artikel 8:67 van de Awb mondeling uitspraak gedaan. Nog daargelaten dat dit wetsartikel niet de mogelijkheid biedt zonder onderzoek ter zitting mondelinge uitspraak te doen, heeft de rechtbank blijkens de stukken de Minister van Justitie (hierna: de minister) niet verzocht om toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb en heeft de minister zodanige toestemming ook niet verleend. De rechtbank heeft door de zaak zonder behandeling ter zitting af te doen, gehandeld in strijd met laatstgenoemd artikel. Het betoog van de vreemdeling dat de rechtbank ingevolge artikel 8:54, aanhef en onder d, van de Awb het beroep kennelijk ongegrond kon verklaren, miskent dat de rechtbank daaraan geen toepassing heeft gegeven en gelet op artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 ook niet kon geven.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 februari 2007 in zaak no. AWB 07/6565;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel , Leden, in tegenwoordigheid van mr. J van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007

53-513.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak