Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200608513/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Amv / toepasselijk beleid / openbare orde

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 mei 2004 in zaak no. 200401206/1, JV 2004/343), is op een beslissing inzake een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, indien het tijdstip van indienen van de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, is gelegen vóór 4 januari 2001, het beleid, vermeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: het TBV) 1996/1, van toepassing. Nu appellant de aanvraag vóór 4 januari 2001 heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 28 november 2005 niet aan dat beleid getoets

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608513/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/382 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, geweigerd om appellant ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij besluit van 28 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 oktober 2006, verzonden op 27 oktober 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2006 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit valt onder de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en aanverwante regelgeving, nu hij de aanvraag vóór 4 januari 2001 heeft ingediend en derhalve het openbare orde beleid, zoals dat gold vóór die datum, van toepassing is. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister op grond van het oude beleid een verdergaande belangenafweging had dienen te maken dan in het besluit van 28 november 2005 is gebeurd, en dat de door hem aangevoerde omstandigheden volledig hadden moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat de minister de belangenafweging onvoldoende kenbaar en onvoldoende gemotiveerd heeft weergegeven in het besluit van 28 november 2005.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 mei 2004 in zaak no. 200401206/1, JV 2004/343), is op een beslissing inzake een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, indien het tijdstip van indienen van de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, is gelegen vóór 4 januari 2001, het beleid, vermeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: het TBV) 1996/1, van toepassing. Nu appellant de aanvraag vóór 4 januari 2001 heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 28 november 2005 niet aan dat beleid getoetst.

2.1.2. In paragraaf 8 van het TBV 1996/1, kort weergegeven en voor zover thans van belang, staat vermeld dat gevaar voor de openbare orde aanleiding is om een vergunning tot verblijf te onthouden, conform het gestelde in paragraaf A4/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: de Vc 1994).

Volgens paragraaf A4/4.3.2.1 van de Vc 1994, voor zover thans van belang, wordt een aanvaard transactieaanbod aangemerkt als grond om eerste toelating te weigeren. Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig. Slechts indien de vreemdeling bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging. Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

Volgens paragraaf B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, wordt de aanvraag afgewezen, indien de vreemdeling ter zake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard.

2.1.3. Ook volgens het beleid, zoals dat werd gevoerd vóór 4 januari 2001, zou het aanvaarden van een transactieaanbod ter zake van een misdrijf, grond zijn geweest om een verblijfsvergunning regulier, als waar het hier om gaat, niet te verlenen. Voor het oordeel dat op grond van voormeld beleid een belangenafweging had dienen te worden verricht die verder gaat dan de beoordeling waartoe artikel 4:84 van de Awb noopt, bestaat geen grond. De klacht kan derhalve niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2007

154-532.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak