Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200601523/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Montfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 mei 2005, het bestemmingsplan "Voorvliet" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601523/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht", gevestigd te Utrecht,

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

   het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

   verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Montfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 mei 2005, het bestemmingsplan "Voorvliet" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 januari 2006, kenmerk 2005REG003282i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 23 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 7 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2006, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 april 2006.

Bij brief van 2 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Montfoort. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2007, waar appellante sub 1 (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door C.S. van Holsteijn, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. W.E.M. Corsten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Montfoort, vertegenwoordigd door C.M. Kortekaas, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2G], [appellant sub 2K], [appellant sub 2N] en [appellant sub 2O] hebben geen zienswijzen tegen het ontwerpplan ingebracht bij de gemeenteraad, [appellant sub 2V] heeft dit niet binnen de in artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gestelde termijn gedaan.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor, voor zover de bezwaren van [appellanten sub 2] zich richten tegen de gevolgde procedure bij het horen van appellanten naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen.

Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2G], [appellant sub 2K], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O] en [appellant sub 2V].

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.4.    [appellanten sub 2] voeren aan dat enkelen van hen feitelijk niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze toe te lichten doordat de uitnodigingen voor de hoorzitting op 1 februari 2005 pas op 26 januari 2005 zijn verstuurd.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt, in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

   Op 10 januari 2005 zijn uitnodigingen verstuurd voor een hoorzitting op 24 januari 2005. Vanwege het grote aantal aanwezigen is deze hoorzitting in verband met de brandveiligheid geschorst. Voor de daarna te houden hoorzitting op 1 februari 2005 zijn de uitnodigingen op 26 januari 2005 verzonden. Hoewel deze uitnodigingen slechts kort van tevoren zijn verstuurd, hoeft dit, mede gelet op het feit dat [appellanten sub 2] zich reeds op de hoorzitting van 24 januari 2005 hebben kunnen voorbereiden, niet in de weg te staan aan een goede voorbereiding op deze hoorzitting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan om deze reden in strijd met artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO tot stand is gekomen.

2.5.    [appellanten sub 2] betwijfelen of zij op de hoorzitting van 1 februari 2005 zijn gehoord door daartoe bevoegde personen, nu zij niet zijn gehoord door de gemeenteraad.

   Uit de Commentaarnota Zienswijzen van juni 2005, welke behoort bij het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het plan en waarin een weergave van het verhandelde op de hoorzitting is opgenomen, blijkt dat het horen heeft plaatsgevonden door de raadscommissie. Ingevolge artikel 1 van de Verordening op de raadscommissie 2004 heeft de raadscommissie onder meer tot taak de besluitvorming van de gemeenteraad voor te bereiden. Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van de verordening, voor zover hier van belang, bestaat de raadscommissie uit de leden van de gemeenteraad en kan de raadscommissie niet-raadsleden als plaatsvervangende leden benoemen.

   Blijkens de wetsgeschiedenis van de WRO is de wijze waarop de gemeenteraad uitvoering geeft aan de hoorplicht ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO een zaak, die de gemeenteraad zelf moet regelen, waarbij de raad het horen onder andere kan opdragen aan een commissie uit zijn midden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht in de wijze waarop de raad invulling heeft gegeven aan de hoorplicht geen aanleiding gezien tot onthouding van goedkeuring aan het plan.

2.6.    [appellanten sub 2] maken bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp, nu met betrekking tot de betrokken planonderdelen geen inspraak mogelijk is geweest.

In het vastgestelde plan is onder meer in afwijking van het ontwerpplan wijzigingsbevoegdheid I opgenomen die het wijzigen van de bestemming "Parkgebied" van het plandeel direct ten oosten van de Middenwetering in de bestemming "Recreatieve doeleinden" mogelijk maakt, om op termijn eventueel het tenniscomplex in het midden van het plangebied daarheen te kunnen verplaatsen. In het ontwerpplan had het plandeel waarop de wijzigingsbevoegdheid I rust reeds de bestemming "Recreatieve doeleinden". Naar aanleiding van zienswijzen van appellanten is echter wijzigingsbevoegdheid I opgenomen. De gronden van het bestaande tenniscomplex hebben de bestemming "Recreatieve doeleinden" in plaats van de bestemming "Woondoeleinden" die in het ontwerpplan was toegekend. Ten westen van de Middenwetering zijn ter compensatie extra gronden bestemd voor woningbouw. De overige wijzigingen zijn van ondergeschikte aard.

Voorop staat dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan mag afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat sprake is van een ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden.

Deze situatie doet zich in dit geval, mede gelet op het feit dat bestemmingen voornamelijk zijn verplaatst binnen het plangebied, niet voor.

2.7.    [appellanten sub 2] stellen voorts dat het vastgestelde plan te laat ter inzage is gelegd in de plaatselijke bibliotheek, waardoor zij ernstig in hun rechtsbeschermingsmogelijkheden zijn beperkt.

In de publicatie van de terinzagelegging van het besluit tot vaststelling van het plan staat onder meer dat het plan vanaf 16 juni 2005 gedurende vier weken is in te zien in het stadskantoor, en dat het plan tijdens de openingstijden ter inzage ligt in de bibliotheek te Linschoten. Vaststaat dat het plan op 16 en 17 juni 2005 in deze bibliotheek niet ter inzage heeft gelegen.

De Afdeling stelt voorop dat wat betreft de terinzagelegging van het vastgestelde plan de wettelijk voorgeschreven procedure is gevolgd. Het feit dat het plan niet direct op 16 juni 2005, naast de terinzagelegging in het stadskantoor, ook in de plaatselijke bibliotheek ter inzage heeft gelegen, leidt niet tot het oordeel dat appellanten in hun rechtsbeschermingmogelijkheden zijn beperkt.

Standpunt van appellanten

2.8.    [appellanten sub 2] menen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij zijn van mening dat verweerder bij zijn besluitvorming geen eigen belangenafweging heeft gemaakt, nu het bijna gelijkluidend is aan het advies van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC).

   De stichting en [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Parkgebied" en de nadere aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid ex art. 11 WRO I'. Beide appellanten zijn van mening dat het plan op dit punt in strijd is met het Streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het streekplan). De stichting stelt dat, nu deze gronden in het streekplan zijn aangeduid als 'Landelijk gebied 2', zij niet als stedelijk uitloopgebied mogen dienen. Bovendien is volgens haar landschappelijke inpassing van een parkgebied of tenniscomplex, welke bestemming het plandeel na gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid zou kunnen krijgen, gezien de openheid van de omgeving ter plaatse niet mogelijk. [appellanten sub 2] stellen dat onvoldoende is onderbouwd waarom stedelijke randactiviteiten ter plaatse nodig zijn en dat een tenniscomplex niet behoort tot stedelijke randactiviteiten. Ook twijfelen zij aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan, met name wat betreft het ontbreken van een exploitatie-opzet voor de verplaatsing van het tenniscomplex, die door het opnemen van wijzigingsbevoegdheid I mogelijk is.

   [appellanten sub 2] stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden" aan de westzijde van het plangebied. Zij menen dat aan de gronden waarop dit plandeel betrekking heeft een te ruim bouwvlak is toegekend ten behoeve van een daar te bouwen Brede School. Ook is ter plaatse slechts bebouwing in twee lagen noodzakelijk, terwijl volgens het plan vier bouwlagen zijn toegestaan.

   [appellanten sub 2] achten dit plandeel, alsmede het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", dat betrekking heeft op het voorziene appartementencomplex in het oostelijk deel van het plangebied, in strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat de hoogbouw die het plan mogelijk maakt, met name aan de rand van het open polderlandschap, niet past in de dorpsachtige omgeving. Ook voorziet het plan niet in voldoende parkeergelegenheid, mede in verband met de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden.

   Volgens [appellanten sub 2] is het plan onzorgvuldig voorbereid, omdat de gevolgen van de in het plan aangebrachte wijzigingen voor de waterhuishouding niet zijn onderzocht. De toezegging om in het plangebied extra voorzieningen voor waterberging aan te leggen is voorts niet afdwingbaar.

   [appellanten sub 2] stellen dat ten onrechte slechts voor een deel van het plangebied onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna is gedaan en dat het onderzoek had moeten worden geactualiseerd naar aanleiding van het waarnemen door [appellanten sub 2] van een ijsvogel, een groene specht en een bonte specht in het plangebied.

Standpunt van verweerder

2.9.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij stelt dat de aanduiding die aan de gronden met wijzigingsbevoegdheid I in het streekplan is toegekend, de uitplaatsing van stedelijke randactiviteiten toestaat, nu eventuele uitplaatsing van het tenniscomplex de agrarische structuur niet aantast en voorzien is in een goede landschappelijke inpassing. Door de randen groen te houden wordt het zicht vanuit de polder niet aangetast. Verweerder acht de bouwmogelijkheden voor de Brede School niet buitenproportioneel, nu daar twee scholen, een kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, zorginstellingen en een bibliotheek moeten komen. De mogelijkheid tot het bouwen van appartementen is opgenomen om eventueel in een later stadium vrijkomende schoollokalen te kunnen verbouwen tot appartementen. Deze zullen vooralsnog niet gerealiseerd worden. Volgens verweerder is de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende aangetoond. Wat betreft de waterhuishouding heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aangegeven dat de ruimtelijke ontwikkelingen in het vastgestelde plan verbeteringen in de waterhuishouding inhouden. Verweerder stelt dat het onderzoek naar de flora en fauna zich richt op het gedeelte van het plangebied waar in enige mate verwacht kan worden dat vogels voorkomen. Het uitbreiden van het onderzoeksgebied had volgens verweerder naar alle waarschijnlijkheid niet tot andere uitkomsten geleid. De bebouwing in het oostelijk deel van het plangebied wordt maximaal 12 meter hoog en de vierde bouwlaag zal terugliggend worden gebouwd. Deze bouwhoogte past in het gebied en zal niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woongenot van [appellanten sub 2]. Over de hele lengte van het plangebied zijn gronden aangewezen voor "Verblijfsgebied". Deze gronden zijn gereserveerd voor parkeerruimte.

Vaststelling van de feiten

2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.    Het plan heeft betrekking op gronden aan de oostzijde van Linschoten, grotendeels gelegen tussen de Voorvliet en de Montfoortse vaart. Het desbetreffende gebied is in het streekplan grotendeels aangewezen als stedelijk gebied. Ten noordwesten en ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich woonwijken.

   In het oostelijk deel van het plangebied liggen gronden met de bestemming "Woondoeleinden", die ingevolge het plan voor 75% bebouwd mogen worden en waarop het is toegestaan gestapelde woningen te bouwen tot een hoogte van 12 meter. Ook mag daar een parkeergarage worden gebouwd. Dit gebied wordt momenteel gebruikt als boomgaard. De gronden zijn in het streekplan aangeduid als 'Stedelijk gebied'.

   Ten oosten hiervan liggen gronden met de bestemming "Parkgebied", waarop de wijzigingsbevoegdheid I betrekking heeft. Rondom deze gronden liggen stroken grond met de bestemming "Groenvoorzieningen", met uitzondering van de westzijde, waar de gronden grenzen aan de Middenwetering. Deze gronden, ten oosten van de Middenwetering, liggen buiten de rode contour die op de streekplankaart om Linschoten ligt en zijn in het streekplan aangeduid als 'Landelijk gebied 2: hoofdfunctie agrarisch'.

   In het westelijk deel van het plangebied liggen gronden met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden", die voor 70% bebouwd mogen worden tot een hoogte van 12 meter. Deze gronden zijn reeds voor een groot deel bebouwd.

2.10.2.    In het streekplan staat dat aantasting van waardevolle en kwetsbare open ruimte door nieuwe verstedelijking zo veel mogelijk dient te worden vermeden en dat verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden binnen de rode contouren. In zones met de aanduiding 'Landelijk gebied 2' is het streven erop gericht andere dan agrarische grondclaims te beperken. Als in de streekplanperiode vestiging of uitplaatsing van stedelijke randactiviteiten aan de orde is, moet de agrarische structuur zo min mogelijk worden aangetast en moet worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Ook moet de te realiseren voorziening passen bij het verzorgingsniveau van de desbetreffende kern.

2.10.3.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voor zover hier van belang, gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

   In de plantoelichting staat dat de waterbeheerder de richtlijn hanteert dat van de toename aan verhard oppervlak 10% aan open water moet worden gerealiseerd. De hoeveelheid open water in het plangebied zal worden uitgebreid met 4.000 m² door verbreding van de bestaande waterloop langs de Jacob Barneveldstraat en de aanleg van 3.000 m² waterberging in het aan te leggen parkgebied aan de oostzijde van het plangebied. Hiermee neemt het percentage open water in het gebied toe van 4,5 tot 10. Voorts staat in de plantoelichting dat de verplichting tot realisering van voornoemde waterberging in het parkgebied wordt vastgelegd in een bestuurlijke toezegging per brief naar het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

2.10.4.    Volgens de plantoelichting is ten behoeve van de Brede School, naast ruimte voor mogelijk twee basisscholen, een peuterspeelzaal en een kinderdagverblijf, rekening gehouden met ruimte voor de bibliotheek, een consultatiebureau, een huisartsenpraktijk, een nieuw cultureel centrum en mogelijk een twintigtal appartementen. Verder staat in de plantoelichting dat uit een nadere verkenning van de ruimtelijke mogelijkheden voor de Brede School blijkt dat deze beperkt zijn. De bouw van woningen binnen dit complex is niet zonder meer mogelijk en zal moeilijk zijn in te passen, aldus de plantoelichting.

2.10.5.    In de plantoelichting staat dat de totale exploitatie voor de locatie Voorvliet een gering positief exploitatiesaldo kent. Voor verschillende ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt is in een apart kopje aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de exploitatie van de desbetreffende plandelen.

2.10.6.    Uit het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, voor zover hier van belang, volgt dat enkele uit de Flora- en faunawet voortvloeiende verboden ten aanzien van bepaalde beschermde inheemse dier- en plantensoorten niet gelden bij de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, mits de werkzaamheden en het gebruik aantoonbaar plaatsvinden overeenkomstig een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode.

   In de plantoelichting staat dat voor het bebouwen van de boomgaard geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist wanneer de bouwer ten tijde van de uitvoering beschikt over voornoemde gedragscode.

2.10.7.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Maatschappelijke- en Woondoeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, onder c, van de planvoorschriften is het wonen uitsluitend toegestaan op de 2e bouwlaag en hoger, gemeten vanaf peil, met uitzondering van de bij de woningen behorende toegangen.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Parkgebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. groenvoorzieningen en beplantingen;

b. waterpartijen;

c. speelvoorzieningen en wandelpaden.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Verblijfsgebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wegen met een functie voor verblijf en verplaatsing.

   Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders -met inachtneming van artikel 11 WRO- bevoegd de bestemming van de gronden voorzien van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" te wijzigen in de bestemming "Recreatieve doeleinden" met dien verstande dat:

a. de gronden zijn bestemd voor:

   - een tenniscomplex en bijbehorende horecavoorzieningen met een grondoppervlak van ten hoogste 100 m²;

   - bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, water, groen- en parkeervoorzieningen, een en ander met dien verstande dat dient te worden voorzien in ten minste 75 m² parkeervoorzieningen per tennisbaan;

b. de oppervlakte van de gebouwen maximaal 300 m² mag bedragen;

c. de bouwhoogte van de gebouwen maximaal 4m mag bedragen;

d. de bouwhoogte van de lichtmasten maximaal 20m mag bedragen;

e. de gebouwen binnen een afstand van ten hoogste 30m van de Middenwetering gerealiseerd dienen te worden;

f. van deze wijzigingsbevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt ten behoeve van de verplaatsing en uitbreiding van het bestaande tenniscomplex aan de Jacob Barneveldstraat.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Wat betreft de stelling van [appellanten sub 2] dat verweerder bij zijn besluitvorming geen eigen belangenafweging heeft gemaakt, overweegt de Afdeling dat zij geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die hierop wijzen. De enkele omstandigheid dat het besluit van verweerder grotendeels overeenkomt met het advies van de PPC is hiertoe onvoldoende.

2.11.1.    Zoals in 2.10.2. is weergegeven, blijkt uit het streekplan dat stedelijke voorzieningen in beginsel niet zijn toegelaten buiten de rode contour en dat het streven erop is gericht andere dan agrarische grondclaims te beperken in zones met de aanduiding 'Landelijk gebied 2'. Verweerder is hiervan afgeweken door goedkeuring te verlenen aan de ten oosten van de Middenwetering gelegen plandelen met de bestemmingen "Parkgebied" en "Groenvoorzieningen" en aan de desbetreffende wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een mogelijke verplaatsing van het tennispark. Verweerder is hiertoe overgegaan omdat hij meent dat het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing. Verweerder heeft zich bij deze afweging echter onvoldoende rekenschap gegeven dat het gebied ten oosten van de Middenwetering, dat zich kenmerkt door openheid, buiten de rode contour om Linschoten ligt en dat een landschappelijke inpassing van het parkgebied dan wel het tennispark in het landelijke gebied door middel van de bestemming "Groenvoorzieningen" juist afbreuk kan doen aan deze openheid. Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat verweerder zijn besluit in zoverre heeft genomen in strijd met de hierbij te betrachten zorgvuldigheid.

2.11.2.    Wat betreft de bezwaren van [appellanten sub 2] tegen het ontbreken van een onderzoek naar de gevolgen van de ten opzichte van het ontwerpplan doorgevoerde wijzigingen voor de waterhuishouding in het plangebied, overweegt de Afdeling dat het vastgestelde plan wat betreft de mogelijkheden voor verharding niet in betekenende mate afwijkt ten opzichte van het ontwerpplan. Het is derhalve niet aannemelijk dat de gevolgen van het gewijzigd vastgestelde plan voor de waterhuishouding in betekenende mate anders zijn dan de gevolgen die het ontwerpplan op dit punt met zich zou brengen. Gelet hierop heeft verweerder het achterwege blijven van een dergelijk onderzoek niet bezwaarlijk hoeven achten. Daarnaast is een bestuurlijke toezegging gedaan dat in het plangebied extra wateroppervlakte wordt aangelegd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in de bezwaren die betrekking hebben op de waterhuishouding, geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

   Nu verweerder echter zijn besluit, zoals overwogen in 2.11.1., onzorgvuldig heeft genomen voor zover hij daarbij goedkeuring heeft verleend aan de plandelen die betrekking hebben op de gronden die liggen aan de oostelijke zijde van de Middenwetering, en met het plan wordt beoogd om ter plaatse van deze gronden 75% van de extra waterberging die voor het gehele plangebied is benodigd, te realiseren, heeft verweerder door goedkeuring te verlenen aan het plan het bestreden besluit ook voor het overige onzorgvuldig genomen.

2.11.3.    Ter zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat geen volledig inzicht in de exploitatieberekeningen is geboden in verband met de positie van de gemeente in onderhandelingen met andere partijen. Ten aanzien van de twijfels van [appellanten sub 2] bij de financiële uitvoerbaarheid van het plan met betrekking tot de eventuele verplaatsing van het tenniscomplex, overweegt de Afdeling dat het bestaande tenniscomplex aan de Jacob Barneveldstraat op die locatie tot "Recreatieve doeleinden" is bestemd. Met de wijzigingsbevoegdheid I beoogt de gemeenteraad te voorzien in een mogelijkheid het plan op soepele wijze aan te passen aan zich wijzigende omstandigheden, die bij de totstandkoming nog niet bekend waren of konden zijn. Dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nauwkeurig inzicht in de financieel-economische uitvoerbaarheid van de mogelijke wijzigingen ontbrak staat derhalve, anders dan appellanten stellen, niet aan het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid in de weg. Voor het overige is de Afdeling van oordeel dat verweerder in dit bezwaar van [appellanten sub 2] geen aanleiding heeft behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden, gelet op het belang van de gemeenteraad om geen volledig inzicht te verschaffen in de exploitatieberekeningen en gelet op het feit dat inzicht is gegeven in de uitkomsten van het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken.

2.11.4.    Wat betreft het bezwaar van [appellanten sub 2] dat in het kader van de invloed van het plan op de flora en fauna binnen het plangebied onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat, gelet op de inrichting van de locaties waar het plan bebouwing mogelijk maakt, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitbreiden van het onderzoeksgebied naar alle waarschijnlijkheid niet had kunnen leiden tot een wezenlijk andere uitkomst.

   Ten aanzien van de stelling van [appellanten sub 2] dat zij binnen het plangebied een ijsvogel, een groene specht en een bonte specht hebben waargenomen, merkt de Afdeling op dat zij geen gegevens hebben overgelegd die de aanwezigheid van deze vogelsoorten in voldoende mate aannemelijk maken. Er is dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder het onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied onvoldoende heeft hoeven achten.

   Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Deze situatie doet zich hier niet voor.

2.11.5.    Uit de nadere verkenning van de ruimtelijke mogelijkheden voor de Brede School is gebleken dat de bouw van woningen op het complex niet zonder meer mogelijk is. Ter zitting heeft de gemeenteraad bevestigd dat het de bedoeling is dat, indien de scholen op het complex in de toekomst kleiner zouden worden wat betreft het aantal leerlingen, appartementen worden gerealiseerd in vrijkomende schoollokalen. De planvoorschriften maken op de gronden met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden" het realiseren van appartementen bij recht mogelijk. Als enige voorwaarde voor het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan op de tweede bouwlaag en hoger.

   Gelet hierop maakt het plan het mogelijk dat de gronden direct grotendeels worden gebruikt ten behoeve van wonen, terwijl dit naar de mening van de gemeenteraad slechts in de toekomst aan de orde zou kunnen zijn. Aldus biedt het plan onvoldoende waarborgen dat de gronden overeenkomstig de bedoeling van de gemeenteraad worden gebruikt voor de vestiging van diverse maatschappelijke voorzieningen. Het plan voldoet derhalve in zoverre niet aan de eis van rechtszekerheid.

   In deze situatie had het in de rede gelegen in het plan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen die het mogelijk maakt de bestemming van de gronden deels te wijzigen in een bestemming voor woondoeleinden, dan wel in de planvoorschriften op te nemen dat het gedeeltelijk gebruik van de gronden voor woondoeleinden eerst na verloop van een in tijd bepaalde periode is toegestaan.

2.11.6.    Gelet op de omgeving van de gronden met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden", met zowel aan de noordwestelijke zijde als aan de zuidoostelijke kant woonwijken, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een maximaal toegestane bouwhoogte van 12 meter op de gronden met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden", toelaatbaar is. Verweerder heeft de bouwmogelijkheden op deze gronden niet te ruim hoeven achten, gelet op het grote aantal voorzieningen dat hier gerealiseerd zal worden en gelet op het feit dat uit de in 2.11.5. genoemde nadere verkenning is gebleken dat de ruimtelijke mogelijkheden voor de Brede School beperkt zijn.

2.11.7.    Gelet op de stedelijke omgeving waarin het plangebied, voor zover in het gebied is voorzien in woonbestemmingen, ligt, met zowel aan de noordwestelijke zijde als aan de zuidoostelijke kant woonwijken, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een maximaal toegestane bouwhoogte van 12 meter op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" aan de oostzijde van het plangebied, toelaatbaar moet worden geacht.

2.11.8.    Het plan maakt het aanleggen van parkeerplaatsen ten behoeve van de in het plangebied toegestane woningbouw in ruime mate mogelijk. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan onvoldoende parkeerruimte biedt. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om aan de parkeernormen te voldoen.

2.11.9.    Uit het vorenstaande volgt dat het plan in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden". Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hieruit volgt dat wat betreft dit plandeel rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

   Tevens volgt uit het vorenstaande dat het bestreden besluit voor het overige is genomen in strijd met de bij het voorbereiden en nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.12.    Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten sub 2]. Ten aanzien van de stichting is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 2], voor zover dat is ingediend door [appellant 2B], [appellant 2C], [appellant 2G], [appellant 2K], [appellant 2N], [appellant 2O] en [appellant 2V] en voor zover het betreft de gevolgde procedure bij het horen van appellanten naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 10 januari 2006, kenmerk 2005REG003282i;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke- en Woondoeleinden";

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover betreft onderdeel IV;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Utrecht aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellante sub 1 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                            w.g. Kooijman

Voorzitter                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

177-528.