Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200606184/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om inzage in de onderliggende stukken van een over hem door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) uitgebracht individueel ambtsbericht afgewezen, voor zover het een verzoek tot kennisneming van actuele gegevens betreft. Voorts is bij dit besluit aan appellant medegedeeld dat bij het archiefonderzoek geen niet-actuele gegevens over hem zijn aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 162
ABkort 2007/218

Uitspraak

200606184/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

appellant, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1448 van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om inzage in de onderliggende stukken van een over hem door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) uitgebracht individueel ambtsbericht afgewezen, voor zover het een verzoek tot kennisneming van actuele gegevens betreft. Voorts is bij dit besluit aan appellant medegedeeld dat bij het archiefonderzoek geen niet-actuele gegevens over hem zijn aangetroffen.

Bij brief van 3 maart 2005 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar overeenkomstig diens verzoek met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden aan de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) ter behandeling als beroepschrift.

Bij uitspraak van 11 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, per faxbericht ingekomen op 11 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 oktober 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft appellant de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de WIV), om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Uiterwaal, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. I.M.P. van Verseveld, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven.

    Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid.

   Ingevolge artikel 15 van de WIV dragen de hoofden van de diensten zorg voor:

a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

   Ingevolge artikel 47, eerste lid, voor zover thans van belang, deelt de Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

    Ingevolge artikel 51, eerste lid, voor zover hier van belang, deelt de Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid.

   Ingevolge artikel 53, eerste lid wordt een aanvraag, als bedoeld in artikel 47, in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

   Ingevolge het tweede lid wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

   Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een aanvraag, als bedoeld in artikel 51, afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

   Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een aanvraag, als bedoeld in artikel 47, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53.

   Ingevolge artikel 87, eerste lid, voor zover thans van belang, blijft in bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet waarbij Onze betrokken Minister door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten toepassing. Indien Onze betrokken Minister de rechtbank meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen.

2.2.    Appellant heeft verzocht om inzage in de onderliggende stukken die tot de in een individueel ambtsbericht van 23 juli 2003 neergelegde conclusies van de AIVD hebben geleid omtrent het Islamitisch rekruteringsnetwerk in Nederland en de rol van appellant hierin. Op basis van dit ambtsbericht heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de asielaanvraag van appellant afgewezen.

2.3.    De Minister heeft aan zijn besluit tot afwijzing van dat verzoek ten grondslag gelegd dat hij, gelet op artikel 15, gelezen in verbinding met artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIV, de bronnen, werkwijzen en het actuele kennisniveau van de AIVD geheim moet houden. Om die reden kan over actuele gegevens geen mededeling worden gedaan, ook niet ten aanzien van de vraag of dergelijke gegevens al dan niet aanwezig zijn, aldus de Minister.

   In het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Minister medegedeeld dat het bestaan van actuele gegevens over appellant bij de AIVD niet langer wordt betwist.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank onjuiste feiten aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd voor zover zij heeft overwogen, dat de minister terecht in het midden heeft gelaten of bij de AIVD gegevens aanwezig zijn en dat daarbij een afweging van belangen niet aan de orde was. Tussen partijen was immers niet meer in geschil dat over appellant bij de AIVD gegevens aanwezig zijn. Dit heeft er volgens appellant toe geleid dat de rechtbank zijn betoog dat de minister geen belangenafweging had verricht alvorens hem inzage van die stukken te weigeren, ten onrechte niet heeft beoordeeld. Dat die belangenafweging moest worden verricht volgt volgens appellant uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) inzake artikel 8 van het EVRM, welke verdragsbepaling prevaleert boven de toepasselijke bepalingen uit de WIV.

2.4.1.    Hoewel de eerste beroepsgrond van appellant terecht is voorgedragen, leidt deze niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het besluit van 18 januari 2005. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat over appellant actuele gegevens bij de AIVD aanwezig zijn, vloeit uit artikel 53, eerste lid, en artikel 55, eerste lid, in verbinding met het vierde lid, van de WIV in dit geval voort dat de Minister het verzoek om inzage in die gegevens diende af te wijzen. De bepalingen laten de Minister geen discretie. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WIV heeft de wetgever bij het vaststellen van die bepalingen als uitgangspunt gekozen dat de AIVD zijn wettelijke taak, de veiligheid van de staat te beschermen, uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren. Daarnaast moet de AIVD zijn bronnen en werkwijzen geheim kunnen houden.

2.4.2.    Appellant betoogt terecht dat het door een overheidsorgaan bewaren, gebruiken en niet aan de betrokken persoon openbaar maken van gegevens die diens privéleven betreffen, zoals hier aan de orde, een inmenging oplevert in het recht op respect voor het privéleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Deze inmenging vindt echter, gelet op het bepaalde in artikel 53, eerste lid, en 55, eerste en vierde lid, van de WIV, steun in de wet. Met in acht nemen van de beoordelingsmarge waarover de verdragsstaten in dit verband beschikken, is de Afdeling van oordeel dat deze  inmenging noodzakelijk mocht worden geacht in een democratische samenleving, nu hiervoor een dringende maatschappelijke noodzaak is aangewezen en de gevolgen van de inmenging niet onevenredig zijn ten opzichte van dat, onder 2.4.1. geschetste, doel. Daarbij is van belang dat aan het vereiste van een adequate en effectieve waarborg tegen misbruik van het opslaan en gebruik van niet voor de betrokkene toegankelijke gegevens, gesteld door het EHRM onder meer in het arrest van 26 maart 1987, Leander tegen Zweden, no. 9248/81, is voldaan. De WIV voorziet immers in de mogelijkheid tot kennisneming van persoonsgegevens en andere gegevens, tegen ter zake door de Minister genomen beslissingen staat beroep op de rechter open en de procedure neergelegd in artikel 87, eerste lid, van de WIV in verbinding met artikel 8:29 van de Awb verzekert de effectiviteit van de rechterlijke controle. Dat laatste vindt bevestiging in de - ook door appellant aangehaalde - beslissing van het EHRM van 5 april 2002, Brinks tegen Nederland, no. 9940/04.

   Uit het voorgaande vloeit voort dat de op de WIV gebaseerde weigering om een verzoeker inzage te geven in de hem betreffende persoonsgegevens die door of ten behoeve van de AIVD zijn verwerkt, geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM.

2.4.3.    Het is aan de rechter om te bezien of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onderhavige verzoek valt binnen de in de WIV vastgestelde kaders. Na te hebben kennisgenomen van de bij de AIVD over appellant aanwezige stukken, beantwoordt de Afdeling deze vraag bevestigend.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                            w.g. Klein

Voorzitter                               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007.

306/384