Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200607309/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2003, voor zover thans van belang, heeft het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (thans: het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland, hierna: het dagelijks bestuur) appellant vergunning geweigerd voor het plaatsen van beschoeiing in de watergangen, gelegen aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607309/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/674 van de rechtbank Dordrecht van 25 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2003, voor zover thans van belang, heeft het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (thans: het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland, hierna: het dagelijks bestuur) appellant vergunning geweigerd voor het plaatsen van beschoeiing in de watergangen, gelegen aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het dagelijks bestuur het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 18 mei 2004 gewijzigd.

Bij uitspraak van 25 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 2 en 6 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 december 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan het dagelijks bestuur toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, rechtsbijstandverlener, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. van Ginkel en F.W. den Hartog, beiden in dienst van het Waterschap Rivierenland, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder i, van de ten tijde van belang geldende Keur Waterbeheer van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (hierna: de Keur) is het verboden in, op, onder of over wateren, werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, is het dagelijks bestuur bevoegd van deze verbodsbepaling af te wijken en bij schriftelijk besluit vergunning te verlenen.

2.1.1.    In de door het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden vastgestelde Nota Slootdempingen heeft het dagelijks bestuur het sinds 1 juli 2000 ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor slootdemping gevoerde beleid vastgelegd (hierna: het slootdempingsbeleid). Volgens deze nota wordt in alle peilgebieden verdere verkleining van de aanwezige oppervlakte open water niet toegestaan. Voor alle peilgebieden geldt dat vergunningen voor slootdempingen alleen worden verleend, indien de aanvrager het verlies aan open water compenseert door binnen hetzelfde peilgebied vervangend oppervlaktewater te graven.

2.2.    Appellant klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat het dagelijks bestuur de gevraagde vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren, heeft miskend dat het onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet met een minimale breedte van de watergang van twee meter kan worden volstaan. Voorts is de rechtbank er volgens appellant ten onrechte aan voorbij gegaan dat de watergang aan de noordzijde van het perceel breder is dan de in de legger waterbeheer opgenomen breedte van deze watergang, waardoor het verlies aan wateroppervlak aan de oostzijde van het perceel ruimschoots wordt gecompenseerd.

2.2.1.    Het betoog faalt. De aanvraag van appellant betreft het vervangen, dan wel herstellen, van de hele beschoeiing langs de watergangen aan de noord- en oostzijde van het perceel. Vaststaat dat de watergang langs de oostzijde van het perceel smaller is dan de in de legger waterbeheer voor deze watergang opgenomen breedte en dat door het plaatsen van de beschoeiing beide watergangen worden versmald. Dit leidt in beide watergangen tot verlies van oppervlakte open water. Voorts is onbestreden dat in het peilgebied een tekort is aan waterbergend vermogen. Vaststaat dat door het plaatsen van de beschoeiing in beide watergangen het veroorzaakte verlies aan oppervlakte open water niet door appellant wordt gecompenseerd. De aanvraag van appellant voldoet derhalve niet aan het slootdempingsbeleid.

   In het aan het besluit van 18 mei 2004 ten grondslag gelegde advies van de hoor- en adviescommissie is, onder verwijzing naar het slootdempingsbeleid, uiteengezet dat het belang van de waterhuishouding is gediend met het behouden en, indien mogelijk, verbreden van watergangen teneinde de verkleining van het wateroppervlak tegen te gaan. Volgens het dagelijks bestuur is het niet wenselijk dat de bestaande watergangen worden versmald, nu in het desbetreffende peilgebied reeds onvoldoende waterbergend vermogen in de vorm van open water aanwezig is. Versmalling wordt daarom alleen toegestaan, indien in hetzelfde peilgebied en voorafgaand aan de voorgenomen demping compenserend wateroppervlak wordt aangelegd.

   Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in dit geval geen nadelige invloed is op het wateroppervlak en de waterberging. Dat de doorstroming van de watergang, naar appellant stelt, ten gevolge van duikers wordt beperkt, komt niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien, nu dit, anders dan de aangebrachte beschoeiing, geen verkleining van het wateroppervlak ten gevolg heeft.

2.3.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur, gelet op het wijzigingsbesluit van 12 mei 2005, voor de beschoeiing die in de watergang aan de noordzijde van zijn perceel is geplaatst de gevraagde vergunning ten onrechte heeft geweigerd.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 18 mei 2004 in die zin gewijzigd, dat voor de watergang aan de oostzijde van het perceel van appellant een minimale breedte van 4,75 meter en niet, zoals in het besluit van 18 mei 2004 staat vermeld, een minimale breedte van 7,20 meter geldt. Gelet op de breedte van de watergang aan deze zijde, die thans 3,00 meter bedraagt, doet deze wijziging niet af aan de juistheid van het besluit van 18 mei 2004.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

71-479.