Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200605749/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Loppersum, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2007/352

Uitspraak

200605749/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/568 van de rechtbank Groningen van 20 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Loppersum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Loppersum, sectie […], nummer […].

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2006, verzonden op 23 juni 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007, waar appellante bij haar gemachtigde W.E.van Bentem, rechtskundig adviseur te Garrelsweer en het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Voorts zijn [partij] en [vergunninghouder] daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in uitbreiding van de woning door plaatsing van een kap op de bestaande garage.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Garrelsweer 1982" (hierna: het bestemmingsplan) geldt voor het perceel de bestemming "Woondoeleinden II".

    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Woondoeleinden II aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor woningen, bijbehorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

   Ingevolge artikel 4, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag bij bebouwing buiten het bebouwingsvlak de goothoogte niet meer bedragen dan 2.25 m en de totale hoogte niet meer dan 4.50 m.

   Ingevolge artikel 4, vijfde lid aanhef en onder b, van de planvoorschriften mag bij bebouwing buiten het bebouwingsvlak, binnen een afstand van 2 m van een grens van het terrein, de hoogte van de bebouwing niet meer bedragen dan 2 m, vermeerderd met de afstand tot deze grens.

Deze regel is niet van toepassing indien aan twee zijden van de grens tot gelijke hoogte aaneengebouwd wordt; in dat geval geldt uitsluitend het onder a bepaalde.  

2.3.    Bij het besluit van 12 juli 2004 is bouwvergunning en vrijstelling verleend van de in artikel 4, vijfde lid onder a, van de planvoorschriften voorgeschreven hoogten. In de beslissing op bezwaar is het bezwaar van appellante gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de formele gebreken van het welstandsadvies en is het besluit van 12 juli 2004 in die zin aangevuld dat voor het realiseren van woonbebouwing buiten het bebouwingsvlak alsnog vrijstelling wordt verleend voor het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften, waarmee de woonbebouwing buiten het bebouwingsvlak wordt toegestaan. De bezwaren van appellante zijn voor het overige ongegrond verklaard.

2.4.    Ingevolge artikel 8, zesde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, bevat de bouwverordening voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandcommissie.

   Ingevolge artikel 12b, tweede lid van de Woningwet, voor zover hier van belang, zijn de vergaderingen van de welstandscommissie openbaar.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de raad van de gemeente Loppersum (hierna: de gemeenteraad) hoofdstuk 9 van de bouwverordening vastgesteld. In artikel 9.6, eerste lid, van de bouwverordening is bepaald, voor zover hier van belang, dat de behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie openbaar is. De agenda van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag- nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

   Ingevolge artikel 9.6, vierde lid, van de bouwverordening hebben belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie voorziet in een procedurele opzet. Ingevolge artikel 9.7, eerste lid, van de bouwverordening, kan de welstandscommissie de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan één of meer daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

   Ingevolge artikel 9.7 vijfde lid, van de bouwverordening kan één gemandateerd lid over reguliere bouwvergunningaanvragen zelfstandig alleen positief adviseren. Negatieve adviezen dienen altijd te steunen op het oordeel van twee gemandateerde leden.

   Ingevolge artikel 9.7, zesde lid, van de bouwverordening is de behandeling van bouwplannen onder mandaat openbaar.

2.5.    Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de gemeenteraad de welstandscommissie benoemd voor de periode van drie jaar lopende van 1 januari 2004 tot en met 1 januari 2007.

2.6.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de omstandigheid dat de leden van de welstandscommissie met terugwerkende kracht zijn benoemd, en dat er geen rechtsgeldig tot stand gekomen welstandsadvies aan de bouwvergunning ten grondslag is gelegd. Voorts stelt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat zij als gevolg van de gebrekkige publicatie van de agenda van de vergadering van de welstandscommissie geen gebruik heeft kunnen maken van het inspreekrecht dat haar op grond van artikel 9.6, vierde lid, van de bouwverordening toekomt. Het advies van 3 maart 2005 is volgens appellante geen daadwerkelijk welstandsadvies, aangezien niet is gebleken dat dit advies in een vergadering van de welstandscommissie is besproken en evenmin is gebleken van het mandateringsbesluit op grond waarvan de rayonarchitect bevoegd was het bouwplan bij het eerdere advies van 31 maart 2004 goed te keuren.

2.7.    Het college mag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan een advies in beginsel doorslaggevend betekenis toekennen. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet of niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

2.8.    In hetgeen appellante heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het welstandsadvies van 3 maart 2005 in samenhang met het  positieve welstandsadvies van 31 maart 2004, zoals dat op schrift is gesteld op 18 augustus 2004, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.8.1.    Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. De heroverweging strekt er mede toe eventuele aan het primaire besluit klevende gebreken bij de beslissing op bezwaar te herstellen.

   Het advies van de welstandscommissie van 3 maart 2005 is genomen nadat de leden van de welstandscommissie bij het besluit van 31 januari 2005 zijn benoemd. Anders dan appellante betoogt is hiermee het aan het primaire besluit klevende gebrek dat het college zijn besluit heeft gebaseerd op een advies van een niet bevoegde welstandscommissie bij de beslissing op bezwaar hersteld.

2.8.2.    In het advies van 3 maart 2005 wordt verwezen naar het positieve welstandsadvies dat na behandeling in een openbare vergadering op 31 maart 2004 onder mandaat is uitgebracht door de rayonarchitect. Appellante stelt terecht dat in de publicaties op 22 maart 2004 en 29 maart 2004 in de Ommelander Courant niet is opgenomen dat het in geschil zijnde bouwplan in die vergadering aan de orde zal komen. De publicaties bevatten slechts de mededeling dat de recentelijk ontvangen bouwvergunningen op 31 maart 2004 ter advisering worden voorgelegd aan de rayonarchitect. Aan deze omstandigheid kan echter niet het door appellante gewenste gevolg worden verbonden. Nu appellante wist dat op de bouwaanvraag nog geen beslissing was genomen, had het op haar weg gelegen bij het college te informeren naar de stand van zaken. Het feit dat appellante reeds in een vroeg stadium schriftelijk haar bezwaren tegen de bouwaanvraag kenbaar heeft gemaakt en het college heeft verzocht haar op de hoogte te houden van de voortgang van de procedure, ontslaat haar evenmin van haar eigen verantwoordelijkheid om de door haar gewenste informatie te verkrijgen.

2.9.    Zoals het college heeft toegelicht is het welstandsadvies van 31 maart 2004 een vervolg op het eerdere negatieve advies van 25 april 2003 van de welstandscommissie, dat tot stand is gekomen in het kader van de voorbespreking van het bouwplan. Op basis van deze bespreking was de rayonarchitect bekend met de lijn die de welstandscommissie met dit bouwplan voor ogen stond. Om die reden was volgens het college, gelet op artikel 9.7, eerste lid, van de bouwerordening en omdat het gaat om een positief advies ingevolge artikel 9.7, vijfde lid, van de bouwverordening, één gemandateerd lid bevoegd dit welstandsadvies te geven. In het kader van de bezwaarprocedure is de motivering van het positieve welstandsadvies bij brief van18 augustus 2004 op schrift gesteld door de rayonarchitect. In het advies van 3 maart 2005 heeft de inmiddels benoemde welstandscommissie het advies van 31 maart 2004, zoals dat is verwoord in de brief van 18 augustus 2004, tot het hare gemaakt.

2.10.    Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de inhoud van het welstandsadvies heeft kunnen overnemen, nu appellante geen door een deskundige opgesteld tegenadvies heeft overgelegd.  

Het argument van appellante, dat zij het bouwplan had kunnen beïnvloeden  indien zij bij de vergadering van de welstandscommissie aanwezig zou zijn geweest, kan niet leiden tot een ander oordeel.

2.11.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende met haar belangen is rekening gehouden. In dit kader heeft zij gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de situatie van appellante met dit bouwplan gunstiger uitvalt dan wanneer de vergunninghouder gebruik zou maken van de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

2.12.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in voldoende mate met de belangen van appellante rekening heeft gehouden. De bezwaren van appellante richten zich op de vermindering van uitzicht en lichtinval als gevolg van de vrijstelling met betrekking tot de goot en de nokhoogte. Het college heeft bij zijn besluitvorming betrokken welke consequenties het bouwplan heeft voor het uitzicht en de lichtinval in de woning van appellante en daarbij in het kader van de belangenafweging betrokken dat de afmetingen van het bouwplan blijven binnen de beperkingen van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarom geen sprake is van grotere beperkingen dan indien het bouwplan in overeenstemming zou zijn met het bestemmingsplan.

2.13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

17-544.