Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200604015/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2005 heeft de gemeenteraad van Wûnseradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2005, het bestemmingsplan "Herziening Bûtengebied Noard" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200604015/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2005 heeft de gemeenteraad van Wûnseradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2005, het bestemmingsplan "Herziening Bûtengebied Noard" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 april 2006, kenmerk 636207, beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft [appellant], bij brief van 30 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad van Wûnseradiel. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra is verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Wûnseradiel, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra, ambtenaar van de gemeente. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "Bûtengebied Noard" en beoogt enerzijds de planologische regeling voor het gebied te actualiseren en anderzijds te voldoen aan de plicht voortvloeiend uit artikel 30 van de WRO.

Standpunt van appellante

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij voert daartoe aan dat het plan binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" niet voorziet in een specifieke regeling voor het verrichten van agrarische nevenactiviteiten, in het bijzonder voor het perceel van zijn buurman, [locatie 1] te [plaats].

   Voorts voert hij aan dat het plan ten onrechte de plaatsing van windturbines mogelijk maakt. Subsidiair stelt hij dat de plaatsing van verticale windturbines enkel door middel van een vrijstelling mogelijk moet worden gemaakt, opdat de overlast voor omwonenden in de vorm van uitzichtbelemmering, geluidsoverlast en slagschaduw wordt voorkomen.

Standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan goedgekeurd.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheden voor agrarische nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven ten opzichte van het bestemmingsplan "Bûtengebied Noard" niet zijn gewijzigd.

   Ten aanzien van de windturbines stelt verweerder dat de mogelijkheden tot de bouw van kleine windturbines ten opzichte van het bestemmingsplan "Bûtengebied Noard" zijn ingeperkt. Voorts stelt verweerder dat een windturbine alleen binnen het agrarisch bouwvlak mag worden gerealiseerd en dat de afstand tussen het agrarisch bouwvlak en de nabij gelegen (woon)functies zodanig is dat overlast voor omwonenden zich niet voordoet.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften heeft de herziening  wat betreft de plankaart uitsluitend betrekking op de roodomlijnde gedeelten en de in het artikel genoemde detailkaarten en wat betreft de voorschriften uitsluitend betrekking op:

1.    de gedeelten die in dikschrift zijn aangegeven; dit betreft aanpassingen van en/of aanvullingen op het vigerende plan;

2.    de gedeelten die cursief/gerasterd zijn aangegeven; dit betreft de onderdelen van het vigerende plan die zijn vervallen of waaraan goedkeuring is onthouden en niet in aangepaste vorm behoeven te worden opgenomen;

3.    de voorschriften die betrekking hebben op de bij de plankaartherziening betrokken bestemmingen.

2.6.2.    Het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 1] is op de plankaart niet roodomlijnd en komt evenmin op een detailkaart voor.

   In de doeleindenomschrijving behorende bij de bestemming "Agrarische bedrijven" (artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften), is uitsluitend de zinsnede inhoudende "dat de gronden aangeduid met "klussenbedrijf" tevens zijn bestemd voor een klussenbedrijf", in dikschrift aangegeven.

   In artikel 4, tweede lid, sub b, onder 1, van de planvoorschriften, is, voor zover van belang, de bouwhoogte van andere bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijven bepaald. De zinsnede "ten behoeve van kleine verticale windturbines ten hoogste 10 meter (maximaal 1 verticale windturbine per agrarisch bedrijf)", is in dikschrift aangegeven.

2.6.3.    Ingevolge artikel 4, tweede lid, sub b, onder 8, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijven" geen horizontale windturbines worden opgericht. Op grond van artikel 4, derde lid, sub j, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub b, onder 8, voor het oprichten van één horizontale windturbine, met dien verstande dat:

-    de plaatsing van een horizontale windturbine vanuit stedenbouwkundig opzicht aanvaardbaar moet zijn;

-    de plaatsing van een horizontale windturbine vanuit milieuhygiënisch (geluidhinder, reflectie, veiligheid en bezonning) opzicht aanvaardbaar moet zijn;

-    de plaatsing van een windturbine alleen mogelijk is op gebouwen hoger dan 6 meter, waarbij de hoogte van de windturbine (hoogte van de kooiconstructie) ten hoogste 1/3 van de hoogte van het gebouw mag zijn;

-    de plaatsing van een horizontale windturbine alleen mogelijk is op platte daken;

-    de plaatsing van een horizontale windturbine alleen mogelijk is wanneer de windturbine tenminste 5 meter wordt teruggerooid vanuit de dakrand;

-    de plaatsing van een horizontale windturbine er niet toe mag leiden dat er omwille van die turbine bomen moeten worden gekapt.

   De tekst van artikel 4, tweede lid, sub b, onder 8 en van artikel 4, derde lid, sub j, is in dikschrift aangegeven.

2.6.4.    De afstand tussen het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 1] en het perceel van appellant, [locatie 2], bedraagt ongeveer 50 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Met betrekking tot het betoog van appellant dat het plan binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" niet voorziet in een specifieke regeling voor het verrichten van agrarische nevenactiviteiten, in het bijzonder voor het perceel van zijn buurman, [locatie 1] te [plaats], overweegt de Afdeling het volgende.

   Ingevolge artikel 1 heeft de voorliggende herziening uitsluitend betrekking op de roodomlijnde gedeelten van de plankaart en de genoemde detailkaarten en voorts op de in dikschrift aangegeven gedeelten van de voorschriften en de voorschriften die betrekking hebben op de bij de plankaartherziening betrokken bestemmingen.

   Zoals overwogen in 2.6.2. is het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie 1] op de plankaart niet roodomlijnd en komt het evenmin op een in artikel 1 van de planvoorschriften genoemde detailkaart voor. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 1, het plandeel en de bij dit plandeel behorende voorschriften, met uitzondering van de in dikschrift aangegeven zinsneden, geen onderdeel uitmaken van de herziening. De doeleindenomschrijving van artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften bevat geen in dikschrift opgenomen bepaling, die betrekking heeft op het al dan niet toestaan van agrarische nevenactiviteiten.

   Het binnen het plandeel toegestane gebruik ten behoeve van agrarische nevenactiviteiten op het perceel [locatie 1] kan derhalve in zoverre in deze procedure niet meer aan de orde komen.

   De Afdeling vat het beroep van appellant daarom aldus op dat de reikwijdte van de herziening te beperkt is, omdat het gebruik voor agrarische nevenactiviteiten niet in de herziening is meegenomen.

   Gelet op de systematiek van de WRO komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de reikwijdte van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een reikwijdte kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd met het recht.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad was gehouden om in de planherziening een specifieke regeling ten behoeve van agrarische nevenactiviteiten te betrekken. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vastgestelde reikwijdte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening noch met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.    Met betrekking tot het betoog van appellant dat het plan ten onrechte de plaatsing van windturbines mogelijk maakt, dan wel dat de plaatsing van verticale windturbines enkel door middel van een vrijstelling mogelijk moet worden gemaakt, overweegt de Afdeling het volgende.

   Zoals uit de overwegingen 2.6.2 en 2.6.3 blijkt, is ingevolge artikel 4, tweede lid, sub b, en onder 1, van de planvoorschriften de plaatsing van kleine verticale windturbines toegestaan. Ingevolge het tweede lid, sub b, onder 8, van dat artikel mogen geen horizontale windturbines worden gebouwd behoudens vrijstelling ex artikel 4, derde lid, sub j.

2.8.1.    De Afdeling overweegt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van de oprichting van een horizontale windturbine tot een dusdanige overlast voor omwonenden leidt dat verweerder niet in redelijkheid met dit artikelonderdeel heeft mogen instemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat vrijstelling op grond van de in artikel 4, derde lid, sub j, genoemde voorwaarden, slechts kan worden verleend indien de plaatsing van een horizontale windturbine vanuit stedenbouwkundig opzicht alsmede vanuit een oogpunt van geluidhinder, reflectie, veiligheid en bezonning aanvaardbaar is.

2.8.2.    Wat betreft de mogelijkheid van plaatsing van verticale windturbines stelt de Afdeling vast dat een verticale windturbine met een maximale bouwhoogte van 10 meter in artikel 4, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften is aangeduid als "een ander bouwwerk" en daarmee ingevolge artikel 1, onder c, van de planvoorschriften moet worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

   In de planvoorschriften behorende bij de bestemming "Agrarische bedrijven" zijn geen beperkingen opgenomen ten aanzien van de situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 4, tweede lid, sub a, onder 3 dienen uitsluitend gebouwen binnen een agrarisch bouwvlak te worden gesitueerd. Het voorgaande betekent dat, anders dan waarvan verweerder is uitgegaan, binnen het gehele plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" een verticale windturbine met een hoogte van 10 meter kan worden opgericht.

   Gelet op de afstand van 50 meter van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" ter plaatse van het perceel [locatie1] tot aan het perceel van appellant, alsmede gelet op de omstandigheid dat binnen het plandeel slechts één verticale windturbine mag worden opgericht, heeft verweerder zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een windturbine met een hoogte van 10 meter niet tot een ernstige aantasting van het uitzicht zal leiden. Hierbij heeft hij in aanmerking mogen nemen dat de turbines niet tot nauwelijks uitsteken boven de contouren van het landschap.

   Gelet op genoemde afstand, heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een windturbine met een hoogte van 10 meter niet tot een onaanvaardbare slagschaduwhinder of geluidsoverlast leidt.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een windturbine met een hoogte van 10 meter niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellant. Dat afgezien van de situatie ter plaatse van het perceel van appellant in algemene zin voor onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden moet worden gevreesd, is niet aannemelijk geworden.

2.8.3.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover artikel 4, tweede lid, sub b, onder 1, van de planvoorschriften in de oprichting van één kleine verticale windturbine van ten hoogste 10 meter per agrarisch bedrijf voorziet en voor zover artikel 4, derde lid, sub j van de planvoorschriften in een vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van de oprichting van één horizontale windturbine per agrarisch bedrijf voorziet, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto                                        w.g. Van Dorst

Voorzitter                                        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

357-525.