Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200606448/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van respectievelijk 14 en 21 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) aan Koopwoning Vastgoed '92 (hierna: Koopwoning) en appellant schriftelijk mededeling gedaan van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang op 7 mei 2003 ten aanzien van inboedel die in verband met de ontruiming van de woning van appellant aan de [locatie] te [plaats] op de openbare weg zou worden geplaatst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 222 met annotatie van F.R. Vermeer
JOM 2007/417
JB 2007/103 met annotatie van C.L.G.F.H. A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606448/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2998 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 19 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Best.

1.    Procesverloop

Bij brieven van respectievelijk 14 en 21 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) aan Koopwoning Vastgoed '92 (hierna: Koopwoning) en appellant schriftelijk mededeling gedaan van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang op 7 mei 2003 ten aanzien van inboedel die in verband met de ontruiming van de woning van appellant aan de [locatie] te [plaats] op de openbare weg zou worden geplaatst.

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2005 in de zaak no. 200403924/1, waarbij, voor zover hier van belang, het besluit op bezwaar van 13 januari 2004 is vernietigd, opnieuw beslist op het bezwaar van appellant gericht tegen voornoemd besluit tot toepassing van bestuursdwang.

Bij uitspraak van 19 juli 2006, verzonden op 21 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 31 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 11 januari 2007 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Kusters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

   Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Awb wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

    Ingevolge het vijfde lid behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

    Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

   Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van Best (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

2.2.    Bij schrijven van 1 mei 2003 zijn het college en appellant door gerechtsdeurwaarderskantoor Janssen & Janssen (hierna: het deurwaarderskantoor) geïnformeerd over de voorgenomen ontruiming van het pand aan de [locatie] te [plaats] op 7 mei 2003.

   Bij brief van 1 mei 2003, verzonden op 6 mei 2003 en uitgereikt aan appellant op 7 mei 2003, heeft het college appellant onder meer medegedeeld voornemens te zijn jegens Koopwoning handhavend op te treden door middel van bestuursdwang, indien bij de op 7 mei 2003 plaatshebbende ontruiming van het door appellant bewoonde pand de inboedel op de openbare weg zou worden geplaatst. Voorts heeft het college bij deze brief appellant in de gelegenheid gesteld binnen zeven dagen na verzending van de brief zijn zienswijze over dit voornemen naar voren te brengen.

   Op 7 mei 2003 is de woning van appellant ontruimd. Voorafgaand daaraan is door de aldaar aanwezige politie verboden de inboedel op de openbare weg te plaatsen omdat deze op dat moment - in verband met een afsluiting - fungeerde als belangrijke verkeersverbinding ter plaatse. Om die reden is de inboedel door de ontruimers niet op de openbare weg geplaatst, maar direct in daartoe in opdracht van het college op het erf bij de woning geplaatste acht zeecontainers gezet.

    Bij besluit van 14 mei 2003 heeft het college aan Koopwoning bevestigd dat jegens haar is overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang, middels het afvoeren van in strijd met artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV op 7 mei 2003 op de openbare weg achtergelaten goederen en dat de kosten van bewaring voor rekening komen van de eigenaar van de boedel. Bij schrijven van 21 mei 2003 is ook appellant hiervan mededeling gedaan.

2.3.    De Afdeling stelt vast dat het voornemen tot toepassing van bestuursdwang van 1 mei 2003, dat geen besluit is in de zin van de Awb, niet is gevolgd door een concreet schriftelijk besluit strekkende tot het al dan niet preventief toepassen van bestuursdwang. Het optreden op 7 mei 2003 moet derhalve worden aangemerkt als het spoedshalve toepassen van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:24, zesde lid, van de Awb terzake van een dreigende overtreding van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV.

2.4.    Anders dan appellant betoogt, kan niet worden staande gehouden dat op 7 mei 2003 geen sprake is geweest van handelen in strijd met artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV, omdat de inboedel nimmer op de openbare weg is geplaatst.

    Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van artikel 5:21 van de Awb (Kamerstukken II, 1993/1994, 23 700, nr. 3, p. 151) kan door een bestuursorgaan handhavend worden optreden zodra met het plegen van een verboden handeling een allereerste begin is gemaakt. Dit geldt evenzeer zodra redelijkerwijs geen andere gevolgtrekking meer mogelijk is dan dat zonder het ingrijpen van het bestuursorgaan een overtreding van wettelijke voorschriften zal plaats hebben. Deze laatste situatie deed zich hier naar het oordeel van de Afdeling voor. Vast staat dat het deurwaarderskantoor voornemens was de inboedel bij de ontruiming op de openbare weg te plaatsen. Appellant was in ieder geval door de brief van het deurwaarderskantoor van 1 mei 2003, doch, naar mag worden aangenomen, reeds eerder op grond van het ontruimingsvonnis op de hoogte van de geplande ontruiming. Niet aannemelijk is evenwel gemaakt dat appellant zelf maatregelen heeft getroffen of anderszins actie heeft ondernomen om te voorkomen dat de omvangrijke hoeveelheid goederen op 7 mei 2003 op de openbare weg zou worden geplaatst. Voldoende staat derhalve vast dat zonder ingrijpen van het college de ontruiming tot gevolg zou hebben gehad dat de inboedel op de openbare weg was geplaatst.

2.5.    De Afdeling is evenwel van oordeel dat het spoedshalve toepassen van bestuursdwang zoals het college dat heeft gedaan, niet gerechtvaardigd was. Voor de toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb is slechts plaats indien zich een zeer urgente situatie voordoet, die noodzaakt tot terstond optreden. Daarvan was in dit geval geen sprake, nu er tussen het moment dat het college bekend werd met de op handen zijnde ontruiming en de dag waarop deze feitelijk zou plaats hebben, zes dagen waren gelegen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het college, niettegenstaande het aantal vrije dagen - een weekend en bevrijdingsdag - dat in die periode van zes dagen viel, vooraf een schriftelijk besluit had kunnen nemen. In plaats van het bij brief van 1 mei 2003 kenbaar gemaakte voornemen tot toepassing van bestuursdwang, had het wegens een klaarblijkelijke dreiging van een overtreding een preventieve bestuursdwangaanschrijving kunnen doen uitgaan. De omstandigheid dat eerst in overeenstemming met het door het college gehanteerde "Draaiboek illegale plaatsing van voorwerpen op of aan de openbare weg, als gevolg van een uitzetting door de deurwaarder" is gehandeld door een voornemen uit te doen gaan en het college er vervolgens niet in is geslaagd om een daadwerkelijk besluit tot toepassing van bestuursdwang op schrift te stellen, maakt niet dat sprake was van een zeer urgente situatie. De urgentie moet worden veroorzaakt door de illegale situatie zelf.

2.6.    Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het besluit van het college van 9 augustus 2005 vernietigen.

2.7.    Het college dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 juli 2006 in zaak no. AWB 05/2998;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best van 9 augustus 2005, kenmerk MJ/MW/PU05-04009;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Best tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Best aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Best aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom       w.g. Molenaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

369-384.