Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200606307/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 2 maart 2004 en 19 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44
Woningwet 46
Woningwet 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/380

Uitspraak

200606307/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/1595 en AWB 06/2543 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 2 maart 2004 en 19 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2006, verzonden op 21 juli 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college de bij besluit van 19 januari 2006 aan vergunninghoudster verleende bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel gewijzigd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2007 waar appellant, vertegenwoordigd door A.C.L. van Vessem, en het college, vertegenwoordigd door J.M.A. van der Burgt-Willems, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. R.H.J. Minkhorst, advocaat te Nijmegen.

Partijen zijn nog in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het door appellant bij brief van 30 januari 2007 tegen het besluit van 21 december 2006 gemaakte bezwaar.

Bij brieven van 7 februari 2007 en 9 februari 2007 hebben het college onderscheidenlijk vergunninghoudster een reactie ingediend. Bij brief van 13 februari 2007 heeft appellant daarop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

   Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

   Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.2.    Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Op 2 maart 2004 heeft het college krachtens het  delegatiebesluit van 9 september 2002 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend voor het oprichten van zogeheten "ruimte voor ruimte woningen" in het gebied Noordstraat-Vlaskuil. De verleende vrijstelling is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) heeft bij besluit van 26 augustus 2003 verklaard tegen verlening van de vrijstelling geen bezwaar te hebben.

2.3.    Anders dan vergunninghoudster heeft betoogd, leidt de omstandigheid dat met gebruikmaking van de op 2 maart 2004 verleende vrijstelling ook bouwvergunning is verleend voor een andere ruimte voor ruimte woning, welk besluit inmiddels onherroepelijk is, er niet toe dat de vrijstelling voor het litigieuze bouwplan als onherroepelijk moet worden aangemerkt. Uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet volgt dat de vrijstelling, voor zover zij dit bouwplan betreft, niet onherroepelijk is.

2.4.    Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de keuze voor de locatie Noordstraat als locatie voor de bouw van de woningen onzorgvuldig is geweest, slaagt niet.

   Het college heeft te beslissen over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.

   De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling ten behoeve van het onderhavige bouwplan heeft kunnen verlenen. Blijkens de "ruimtelijke onderbouwing Noordstraat Wanroij" van 22 januari 2003 heeft de gemeenteraad in 2000 een onderzoek laten uitvoeren naar mogelijke locaties die geschikt zijn voor de situering van woningen in het kader van de "ruimte-voor-ruimte regeling". Deze regeling heeft tot doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door de bouw van woningen op passende locaties toe te staan. Eén van de op grond van dit onderzoek geschikt bevonden locaties betrof de locatie Noordstraat in Wanroij. Deze is uiteindelijk aangewezen als bouwlocatie. Gedeputeerde staten hebben dit aanwijzingsbesluit goedgekeurd. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de keuze van de locatie en de planologische inpassing daarvan in de kernrandzone van Wanroij in de ruimtelijke onderbouwing afdoende is onderbouwd.

2.5.    Het betoog van appellant dat er in het plangebied, zonder de daarvoor vereiste milieuvergunning een nieuwe schapenhouderij wordt geëxploiteerd, kan niet slagen, omdat dit niet de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit treft.

2.6.    Appellant heeft de stelling, dat verontreinigd grondwater dat afkomstig is van een voormalige vuilstortplaats binnen het plangebied wordt gebracht, niet onderbouwd. Naar van de zijde van het college ter zitting aan de hand van een situatietekening bovendien is toegelicht, beweegt de stroomrichting van het grondwater zich niet vanuit de voormalige vuilstortplaats in de richting van het plangebied. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het grondwater en de bodem in het plangebied zijn verontreinigd.

   De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.7.    Ten behoeve van een landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van het project is het "beeldkwaliteitsplan Noordstraat, Wanroij" opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan maakt deel uit van de welstandsnota van 17 mei 2004 en is door de adviescommissie van Welstandzorg Noord-Brabant bij haar adviezen van 29 juli 2005, 26 september 2005 en 25 november 2005, waarin het bouwplan op welstandseisen is goedgekeurd, betrokken. Anders dan appellant heeft betoogd is, gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellant geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd, er geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.        

2.8.    Tot slot betoogt appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte  voorbij is gegaan aan het betoog dat blijkens de bouwtekening de betrokken woning buiten het in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven bouwblok zal worden gebouwd.

2.9.    Dit betoog slaagt. Naar ook door het college en vergunninghoudster is erkend komt de situering van de woning op de bouwtekening niet geheel overeen met het bouwblok zoals aangegeven in de bij de vrijstelling behorende ruimtelijke onderbouwing. Aan de verklaring van vergunninghoudster dat de woning binnen het bouwblok zal worden gebouwd doch dat de bouwtekening de situering van de woning onjuist aangeeft komt geen betekenis toe, aangezien het ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet verboden is te bouwen in afwijking van de bouwvergunning. Voor het bouwplan zoals dit op de bouwtekening is gesitueerd is geen vrijstelling verleend, zodat het college daarvoor, in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, ten onrechte bouwvergunning heeft verleend. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen.

2.11.    Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college de aan vergunninghoudster bij besluit van 19 januari 2006 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel gewijzigd overeenkomstig de bij deze wijzigingsvergunning behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening en onder handhaving van de bij deze vergunning behorende overige tekeningen en voorschriften.

   Gelet op de situatietekening behorende bij de op 16 november 2006 ingekomen aanvraag van vergunninghoudster om wijziging van de bij besluit van 19 januari 2006 verleende bouwvergunning, heeft het college de gevraagde wijziging zowel op zichzelf beschouwd als afgezet tegen het totale bouwplan terecht aangemerkt als van ondergeschikte aard, nu uitsluitend de situering van de woning is aangepast aan de bij het vrijstellingsbesluit behorende ruimtelijke onderbouwing. Derhalve kon worden volstaan met het wijzigen van de eerder verleende bouwvergunning.

   Gelet hierop, is het besluit van 21 december 2006 aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

   Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb moet het hoger beroep derhalve worden geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.12.    De Afdeling stelt vast dat de situering van de woning op de bij de aanvraag om wijziging van de bij besluit van 19 januari 2006 verleende bouwvergunning behorende tekening thans wel geheel past binnen het bouwblok zoals aangegeven in de bij het vrijstellingsbesluit behorende ruimtelijke onderbouwing. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat zich derhalve niet langer een weigeringsgrond van artikel 44 van de Woningwet voordoet. Het college heeft de gevraagde wijzigingsvergunning dan ook terecht verleend.

2.13.    Het beroep tegen het besluit van 21 december 2006 is derhalve ongegrond.

2.14.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellant om het college te veroordelen in de kosten van het opmaken van een deskundigenverslag en het meebrengen van een deskundige ter zitting, merkt de Afdeling het volgende op. Het is de Afdeling niet gebleken dat een deskundigenverslag is opgemaakt. Nu voorts van het meebrengen van een deskundige niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb mededeling is gedaan, heeft de Afdeling betrokkene als gemachtigde beschouwd. Het verzoek wordt daarom in zoverre afgewezen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juli 2006 in zaak nos. AWB 06/1595 en AWB 06/2543;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 9 mei 2006, kenmerk 06-277;

V.    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2006 ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: het dient door de gemeente Sint Anthonis aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Sint Anthonis aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                             w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

71-536.