Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200607365/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2003 heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) geweigerd [wederpartij] een uitkering op grond van de Remigratiewet toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Remigratiewet
Remigratiewet 1
Remigratiewet 4
Remigratiewet 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 909
JV 2007/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607365/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Sociale verzekeringsbank,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4371 van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2003 heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) geweigerd [wederpartij] een uitkering op grond van de Remigratiewet toe te kennen.

Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft de SVB het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 augustus 2006, verzonden op 4 september 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de SVB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 december 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft [wederpartij] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2007, waar de SVB, vertegenwoordigd door H. van der Most, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.C. Schmidt, advocaat te Delft, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Remigratiewet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner verstaan de meeremigrerende echtgenoot van de remigrant, de meeremigrerende geregistreerde partner van de remigrant of de ongehuwd meerderjarige die met de remigrant, die geen bloedverwant is in de eerste graad, een gezamenlijke huishouding voert waarbij betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en die met deze remigrant meeremigreert, met dien verstande dat deze gezamenlijke huishouding uit niet meer dan twee meerderjarige personen bestaat.

   Ingevolge het tweede lid wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan de bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende echtgenoot of geregistreerde partner, voor zover dit uitdrukkelijk van toepassing is verklaard.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, verkrijgt, indien de remigrant een partner heeft en hij ophoudt met deze persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, ieder der partijen een recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, als ware hij een alleenstaande remigrant.

   Ingevolge het tweede lid verkrijgt, indien de remigrant een partner heeft en hij of zijn partner overlijdt, de langstlevende een recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, als ware hij een alleenstaande remigrant.

   Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, wordt onder partner in het eerste en tweede lid mede verstaan de partner, bedoeld in artikel 1, tweede lid.    

2.1.1.    In een brief van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 11 maart 1999 betreffende de Remigratiewet (Kamerstukken I 1998/99, 25 741, nr. 31c, blz. 4) is als toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

   "In onderdeel g is de definitie van het begrip partner neergelegd. De partner van de remigrant kan zijn: zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner of een ongehuwd meerderjarige persoon met wie hij samenwoont. In de eerste twee gevallen kan het niet gaan om meer dan twee personen: de remigrant en zijn echtgenoot of de remigrant en zijn geregistreerde partner. In de derde situatie (…) is het niet vanzelfsprekend, zoals dat het geval is bij een echtgenoot of geregistreerde partner, dat het gaat om twee personen. (…). Met de toevoeging: dat de gezamenlijke huishouding uit niet meer dan twee meerderjarige personen mag bestaan wordt uitgesloten dat meerdere ongehuwd meerderjarige personen als partner met de remigrant zouden kunnen meeremigreren."

2.2.    De SVB betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 6 augustus 2004, waarin de weigering om [wederpartij] een remigratie-uitkering toe te kennen is gehandhaafd, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.2.1.    [remigrant] is op 14 februari 1956 met [partner] en daarnaast in februari 1987 met [wederpartij] gehuwd, beiden wonend in Marokko. Op 23 november 1987 heeft hij een remigratie-uitkering aangevraagd en heeft daarbij [partner] als partner vermeld. Bij besluit van 22 maart 1988 heeft de SVB hem een remigratie-uitkering als gehuwde toegekend. Remigrant is op 8 april 1988 geremigreerd en op 10 juni 2001 overleden.

2.2.2.    Bij brief van 1 december 2003 heeft [wederpartij] een remigratie-uitkering aangevraagd. De SVB heeft aan de handhaving van de afwijzing van deze aanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat in geval van het beëindigen van een gezamenlijke huishouding, dan wel het overlijden van een remigrant slechts één partner een recht op een uitkering als alleenstaande aan de Remigratiewet kan ontlenen en dat in dit geval [partner] als rechthebbende partner wordt aangemerkt, omdat zij de eerste echtgenote van remigrant was.

2.2.3.    Zoals vermeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, bestaat een gezamenlijke huishouding uit ten hoogste twee meerderjarige personen. Gelet hierop en op de bij dit artikelonderdeel behorende toelichting zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.1.1., is het de bedoeling van de wetgever geweest dat slechts één persoon als 'partner' in de zin van de Remigratiewet wordt aangemerkt. Uit niets blijkt dat de wetgever bij de uitbreiding van de definitie van het begrip 'partner' door middel van de invoering van artikel 1, tweede lid, heeft beoogd dit uitgangspunt te verlaten.

   De SVB heeft zich, gelet op de tekst en systematiek van de Remigratiewet en de daarbij behorende toelichting, in het besluit van 6 augustus 2004 derhalve terecht op het standpunt gesteld dat in geval van het beëindigen van een gezamenlijke huishouding, dan wel het overlijden van een remigrant slechts één partner aan de Remigratiewet een recht op een uitkering kan ontlenen, als ware hij een alleenstaande remigrant.

   Voorts heeft de SVB zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rechthebbende partner niet [wederpartij], maar [partner] is. Laatstgenoemde was zijn eerste echtgenote, stond in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Gouda als zodanig geregistreerd en was bij de SVB bekend. Eerst na het overlijden van remigrant is de SVB van zijn tweede huwelijk met [wederpartij] op de hoogte gesteld.

   Voor het oordeel dat [wederpartij] aan de aan remigrant toegekende remigratie-uitkering alsnog na zijn overlijden aanspraak op de gevraagde uitkering zou kunnen ontlenen, biedt de Remigratiewet derhalve geen grond. De SVB heeft in het besluit van 6 augustus 2004 aldus terecht en op goede gronden de weigering om [wederpartij] een uitkering op grond van de Remigratiewet toe te kennen gehandhaafd, zodat de rechtbank ten onrechte voormeld besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb heeft vernietigd.

   Het betoog slaagt.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 6 augustus 2004 gelet op het vorenstaande ongegrond verklaren.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2006 in zaak no. AWB 04/4371;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

32-485.