Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200606967/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) bepaald dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606967/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2799 van de rechtbank Maastricht van 11 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) bepaald dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 23 november 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 november 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen. Appellant is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

   Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, van die wet bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

   Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

   Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

   Ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 indien betrokkene binnen een periode van vijf jaar ten minste tweemaal is aangehouden op verdenking van het overtreden van artikel 8 van de WVW 1994, en hierbij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel.

    Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

   In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    Appellant is op 7 oktober 2003 aangehouden. Na onderzoek is toen een alcoholpromillage van 1,219 geconstateerd. Op 15 januari 2005 is appellant opnieuw aangehouden omdat het vermoeden bestond dat hij niet beschikte over de vereiste rijvaardigheid dan wel geschiktheid. Hij heeft evenwel geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar het alcoholgehalte in zijn bloed, waarop het CBR bij brief van 2 februari 2005 een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 heeft gevorderd. Dit onderzoek omvatte een bloedanalyse verricht in een ziekenhuislaboratorium en een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek van appellant. Dit laatste onderzoek is door een psychiater verricht op 6 mei 2005.

    Naar aanleiding van de bevindingen uit dat onderzoek heeft het CBR bij brief van 22 juni 2005 aan appellant medegedeeld dat de uitslag van het onderzoek grond opleverde om het rijbewijs ongeldig te verklaren. Appellant is in de gelegenheid gesteld een tweede onderzoek te ondergaan doch heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het CBR op basis van de resultaten van het onderzoek verricht door een daartoe aangewezen keurend arts, een psychiater, het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard. De keurend arts heeft blijkens zijn rapport voor zijn onderzoek relevant geacht dat appellant reeds meerdere malen is aangehouden, omdat hij daarin een aanwijzing ziet voor alcoholmisbruik in ruime zin. Voorts is geconcludeerd dat bij appellant sprake is van tolerantie nu hij naar eigen zeggen het eerste effect van alcohol voelt na het nuttigen van zeven glazen bier. Verder heeft de keurend arts bevonden dat de frequentie van het alcoholgebruik zodanig is, dat sprake is van controleverlies. Appellant gaat één keer per week uit en drinkt dan 10 tot 15 glazen bier. Verder drinkt hij ongeveer 5 tot 10 keer per jaar bij bijzondere gelegenheden 10 à 15 glazen meer dan voormeld aantal.

Tot slot is bij appellant hypertensie (verhoogde bloeddruk) en adipositas (overgewicht) geconstateerd, welke aandoeningen kunnen worden veroorzaakt door overmatig drankgebruik. Ondanks die aandoeningen continueert appellant zijn drankgebruik, hetgeen volgens de keurend arts een aanwijzing vormt voor persistentie. Op grond van het samenstel van genoemde gegevens heeft de psychiater de diagnose misbruik van alcohol in ruime zin gesteld.

   Het CBR heeft op basis van het rapport van de psychiater en op grond van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 het in bezwaar gehandhaafde besluit genomen.

2.4.    Appellant verzet zich in hoger beroep tegen de conclusie van de rechtbank dat het CBR zich kon baseren op voornoemde bevindingen. Hij stelt zich evenals in bezwaar en beroep op het standpunt dat geen sprake is van controleverlies, persistentie en tolerantie. Zijn drankgedrag vertoont al jaren eenzelfde patroon. Van een toegenomen behoefte en een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van eenzelfde hoeveelheid alcohol is geen sprake. Dat hij een verhoogde bloeddruk en overgewicht heeft en ondanks die aandoeningen zijn drankgebruik continueert, betekent volgens appellant niet dat sprake is van persistentie.

2.5.    De Afdeling stelt voorop dat in een geval waarin door een keurend arts de diagnose misbruik van alcohol of afhankelijkheid van alcohol is gesteld, er slechts grond is de daarop gebaseerde ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, zich inhoudelijk tegenspreekt of anderszins niet of niet voldoende concludent kan worden geacht, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Voorts stelt zij voorop dat uit paragraaf 8.8 van de hiervoor aangehaalde bijlage volgt dat van de keurend arts een strenge opstelling wordt verwacht.

2.6.    Appellant heeft de bevindingen van de keurend arts aangevochten. In hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn stelling heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat het rapport van bevindingen onvoldoende is onderbouwd of niet concludent is voor wat betreft de aspecten tolerantie, controleverlies en persistentie. Het rapport is door de keuringsarts opgesteld mede op basis van de verklaringen van appellant omtrent zijn alcoholgebruik. De conclusies die uit deze gegevens zijn getrokken, zijn naar het oordeel van de Afdeling begrijpelijk.

   De verklaring van 31 mei 2005 van de behandelend psychiater, J. van Dijk, die appellant heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover ten deze van belang strekt deze verklaring ertoe dat de behandelend psychiater nooit heeft gemeend dat er sprake was van alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid van dien aard dat hij het nodig achtte appellant hiervoor te behandelen of door te verwijzen naar de verslavingszorg. Deze verklaring doet niet af aan de bevindingen van de keurend arts. Ze impliceert een andere vraagstelling dan bij die arts voorlag, vermeldt overigens niet op welk onderzoek ze is gebaseerd en sluit voorts alcoholmisbruik door appellant niet uit.

2.7.    Appellant heeft tot slot aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen tweede onderzoek heeft aangevraagd. Het aanvragen van een tweede onderzoek is een recht, geen verplichting. De omstandigheid dat appellant om hem moverende redenen niet om een tweede onderzoek heeft verzocht, heeft slechts tot gevolg dat het CBR de resultaten van het ene onderzoek aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De resultaten van dit onderzoek vormen, zoals uit het voorgaande blijkt, een voldoende onderbouwing van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.

2.8.    Gelet op het voorgaande heeft het CBR het besluit op goede gronden gebaseerd op het rapport van bevindingen. Mitsdien is het oordeel van de rechtbank juist en faalt het betoog.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Molenaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

369-384.