Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200606811/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Urk (hierna: het college) besloten de Staverse Kade te Urk af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. De afsluiting geschiedt door plaatsing aan de ingang van de Staverse Kade van een bord conform model C12 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 2
Wegenverkeerswet 1994 15
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 12
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/388
AB 2007, 153
VR 2008, 52

Uitspraak

200606811/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Visrestaurant de Kaap B.V.", gevestigd te Urk,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1545 en 06/1546 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Urk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Urk (hierna: het college) besloten de Staverse Kade te Urk af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. De afsluiting geschiedt door plaatsing aan de ingang van de Staverse Kade van een bord conform model C12 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 15 september 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij brief van 22 februari 2007 heeft appellante nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] en bijgestaan door mr. A.H. Kiesouw, advocaat te Eerbeek, is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid van de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.    

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW), voor zover hier van belang, moet de plaatsing of verwijdering van de in dat artikel genoemde verkeerstekens geschieden krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2.    Appellante, die aan de Staverse Kade een restaurant exploiteert op circa 180 meter van de afsluiting, voert terecht aan dat de voorzieningenrechter is voorbijgegaan aan haar betoog dat het college voorafgaande aan het nemen van het besluit tot afsluiting van die kade geen overleg met haar heeft gevoerd. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak.

   Het door appellante tegen het besluit tot afsluiting ingediende bezwaarschrift verplichtte het college tot een volledige heroverweging. Appellante is in dat kader op 2 februari 2006 gehoord door de bezwaarschriftencommissie. Vervolgens heeft een nader overleg plaatsgehad tussen appellante en het college waarna het college ter tegemoetkoming aan de bezwaren van appellante een pakket maatregelen heeft voorgesteld. Eerst daarna heeft het college beslist op het bezwaarschrift van appellante. Aldus is een gebrek aan zorgvuldigheid bij de voorbereiding van het besluit tot afsluiting van de Staverse Kade in de bezwaarfase hersteld.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 10 januari 2007 in zaak no. 200605125/1 komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van zo'n besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.4.    Anders dan appellante betoogt, brengt de omstandigheid dat de Staverse Kade vooral in de zomerperiode de functie van verblijfsgebied heeft gekregen, niet met zich dat het college gehouden was de afsluiting te beperken tot die periode. Uit de stukken, waaronder de nota 'Parkeren en circuleren in het oude dorp' van juni 2004, blijkt dat de kade in de loop der tijd steeds meer een verblijfsfunctie heeft gekregen, en dat daardoor regelmatig verkeershinder en -onveiligheid van gemotoriseerd verkeer werd ondervonden. Nadat groot onderhoud was verricht aan de waterkering is de nieuwe inrichting en bestrating aan die ontwikkeling aangepast. Om te voorkomen dat de aldus bevestigde functie als verbijfsgebied en de uitwerking daarvan op het gedrag van voetgangers en fietsers zou conflicteren met de toegankelijkheid ervan voor motorvoertuigen, waardoor onveilige situaties zouden ontstaan, heeft het college besloten het gebied te sluiten voor motorvoertuigen. Daarbij heeft een rol gespeeld dat openstelling voor dat verkeer gedurende de winterperiode (wederom) de nodige aanpassingen zou vergen. Aldus strekt het besluit er toe het gebied in zijn algemeenheid gedurende het hele jaar veiliger en aantrekkelijker te maken voor langzaam verkeer, waaronder bezoekers van Urk. Het aldus gemotiveerde standpunt van het college dat de belangen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 een algehele afsluiting rechtvaardigen, is naar het oordeel van de Afdeling niet kennelijk onredelijk.

2.5.    Voorts volgt de Afdeling evenmin als de voorzieningenrechter appellante in haar betoog dat zij door het onderhavige verkeersbesluit onevenredig wordt getroffen. Appellante is een pakket aan maatregelen aangeboden. Het betreft (onder meer) een op afstand bedienbaar geautomatiseerd toegangssysteem, vier voor ontheffinghouders bestemde parkeerplaatsen en een drietal verwijzingsborden naar het restaurant. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat met deze maatregelen in reële mate is tegemoet gekomen aan de belangen die appellante heeft bij de bereikbaarheid per auto van haar restaurant. Verder is door het college terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat sinds 2003 een parkeerverbod geldt op de Staverse Kade. Bezoekers konden derhalve ook toen niet bij of voor het restaurant, maar moesten elders in het centrum parkeren. De aan appellante verstrekte ontheffingen zijn dan ook in eerste instantie bedoeld voor minder valide gasten en voor leveranciers. Er is geen grond voor het oordeel dat de getroffen maatregelen niet in redelijkheid afdoende konden worden geacht voor dat doel.

2.6.    Appellante heeft tot slot gesteld dat als gevolg van de afsluiting haar omzet met circa 15% zal dalen. Daartoe heeft appellante een nadere specificatie van de gerealiseerde omzetten over de jaren 2004, 2005, 2006 en januari 2007 overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante met de overgelegde stukken vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van het bestreden besluit een zodanige schade in de vorm van omzetdaling heeft geleden dat het college dit besluit niet mocht nemen zonder die schade op enigerlei wijze te ondervangen. De Afdeling betrekt hierbij evenals de voorzieningenrechter het gegeven dat voor appellante de mogelijkheid bestaat zich tot het college te wenden met een zelfstandig verzoek om schadevergoeding.

2.7.    Gelet op het vorenoverwogene wordt met de voorzieningenrechter geoordeeld dat het verkeersbesluit niet strijdig is met de toepasselijke wettelijke regels en dat van een onevenredige belangenafweging als bedoeld onder 2.3 geen sprake is.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                                 w.g. Molenaar

Lid van de enkelvoudige kamer                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

369-384.