Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
200701245/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opfokgeitenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 januari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/390
M en R 2007, 87

Uitspraak

200701245/2.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opfokgeitenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 februari 2007, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2007, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door G.H. Landeweerd, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker voert aan dat voor een deel van het perceel waarop de bij het bestreden besluit vergunde veehouderij is gelegen reeds een vergunning voor een veehouderij van kracht is.

2.3.    Bij besluit van 10 september 1991 is aan verzoeker een Hinderwetvergunning verleend voor een veehouderij op het perceel [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Ede, sectie […], nummer [A] (thans nummer [B]). Bij het thans bestreden besluit is vergunning verleend voor een inrichting op perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Ede, sectie […], nummers [C] (gedeeltelijk) en [B] (gedeeltelijk).

   Indien het bestreden besluit van kracht zou worden, betekent dit dat voor een deel van het perceel gemeente Ede, sectie […], nummer [B] verschillende vergunningen onder voorschriften voor het in werking hebben van een inrichting van toepassing zullen zijn. Dit verdraagt zich niet met het systeem van de Wet milieubeheer, aangezien hierdoor de situatie kan ontstaan dat voorschriften, verbonden aan verschillende vergunningen, waartussen onderling afwijkingen bestaan, tegelijkertijd hetzelfde onderwerp regelen. De stelling van verweerder dat slechts een deel van het perceel gemeente Ede, sectie […], nummer [B] in gebruik is door verzoeker - wat daar verder ook van zij - leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de aanvraag om vergunning behorende bij het besluit van 10 september 1991 blijkt dat de bij dat besluit vergunde locatie het gehele perceel, gemeente Ede, sectie […], nummer [A] (thans nummer [B]) betreft.

2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 2 januari 2007, kenmerk Wm/2006-096;

II.    gelast dat de gemeente Ede aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll                                   w.g. Van Hardeveld

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

312-492.