Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200607075/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schrijnend geval / onvoldoende gemotiveerd

In een op 14 januari 2003 gehouden toespraak heeft de minister ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers in algemene zin de bereidheid uitgesproken om in 'schrijnende gevallen' gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2006 in zaak no. 200605794/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de minister, door in het besluit van 16 januari 2006 te volstaan met het standpunt dat de naar voren gebrachte argumenten ieder afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang bezien niet van dien aard zijn dat daaruit geconcludeerd moet worden dat aan de vreemdelingen een verblijfsvergunning verleend behoort te worden, zonder dat standpunt te funderen ofwel op min of meer algemene maatstaven ter invulling van het begrip ‘schrijnend’ ofwel op een vergelijking van de te wegen feitelijke factoren met die in enigszins verwante zaken dan wel anderszins te motiveren, dat besluit niet op een deugdelijke motivering doen rusten. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht het besluit onvoldoende gemotiveerd geacht, daargelaten of de door haar genoemde aspecten bij de beoordeling of de vreemdelingen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden kunnen worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607075/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/4725 en 06/4730 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, en in de zaken nos. AWB 06/4727 en 06/4731 van de voorzieningenrechter van die rechtbank en nevenzittingsplaats, van 17 augustus 2006 in de gedingen tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij brief van 4 maart 2003 hebben [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen), mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, zich bij appellant (hierna: de minister) als schrijnend geval aangemeld.

Bij brief van 21 juli 2003 heeft de minister de vreemdelingen naar aanleiding daarvan medegedeeld geen reden te zien terug te komen van zijn eerdere besluit.

Bij besluit van 16 januari 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2006 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn besluit van 16 januari 2006 onvoldoende heeft gemotiveerd reeds nu voorbij is gegaan aan het door de vreemdelingen gestelde veiligheidsrisico bij terugkeer naar Belgrado. De rechtbank heeft miskend dat asielgerelateerde gronden worden beoordeeld in het licht van een asielprocedure en geen rol spelen in een reguliere procedure, aldus de minister.

2.2. In een op 14 januari 2003 gehouden toespraak heeft de minister ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers in algemene zin de bereidheid uitgesproken om in 'schrijnende gevallen' gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2006 in zaak no. 200605794/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de minister, door in het besluit van 16 januari 2006 te volstaan met het standpunt dat de naar voren gebrachte argumenten ieder afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang bezien niet van dien aard zijn dat daaruit geconcludeerd moet worden dat aan de vreemdelingen een verblijfsvergunning verleend behoort te worden, zonder dat standpunt te funderen ofwel op min of meer algemene maatstaven ter invulling van het begrip ‘schrijnend’ ofwel op een vergelijking van de te wegen feitelijke factoren met die in enigszins verwante zaken dan wel anderszins te motiveren, dat besluit niet op een deugdelijke motivering doen rusten. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht het besluit onvoldoende gemotiveerd geacht, daargelaten of de door haar genoemde aspecten bij de beoordeling of de vreemdelingen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zouden kunnen worden betrokken.

De grief faalt.

2.3. De grieven 3 tot en met 5 missen zelfstandige betekenis.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdelingen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Winden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2007

348-502.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak