Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605691/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college), voor zover thans van belang, het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik van de loods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie[ te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/216

Uitspraak

200605691/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2964 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 12 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college), voor zover thans van belang, het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik van de loods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie[ te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2006, verzonden op 20 juni 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. O.R.L.J.M. Lau en R.E.A.H. Bouquet-van Brakel, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil ziet op het gebruik van de loods op het perceel ten behoeve van de opslag van houten kozijnen door [bedrijf].

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Kom Vorstenbosch" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

   Ingevolge artikel C I van de voorschriften van het bestemmingsplan is het verboden op de tot "Agrarische doeleinden" bestemde grond opstallen te gebruiken in strijd met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel C II van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik zoals bedoeld onder I ten minste verstaan het gebruik van opstallen:

   1. voor de uitoefening van enige tak van handel of bedrijf, met uitzondering van een agrarisch bedrijf;

   2. voor de uitoefening van detailhandel, behoudens detailhandel in ter plaatse vervaardigde producten tot een verkoopoppervlakte van niet meer dan 25 m²;

   3. voor recreatieve doeleinden;

   4. voor tijdelijke of permanente bewoning, voor zover geen woningen zijnde.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de loods valt onder de bij besluit van 21 mei 2003 verleende vrijstelling. Hiertoe voert appellant aan dat slechts vrijstelling is verleend ten behoeve van het gebruik van de loods voor opslag en niet voor bedrijfsmatige opslag of opslag ten behoeve van detailhandel. Nu sprake is van gebruik ten behoeve van bedrijfsmatige opslag is dit dan ook in strijd met het bestemmingsplan en was het college gehouden handhavend op te treden, aldus appellant.

   Dit betoog faalt. Het college heeft bij besluit van 21 mei 2003 vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang bezien met artikel 20, eerste lid, onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voor het gebruik van de loods ten behoeve van de opslag van tweedehands speelgoed, tuinmeubelen, houten producten en stalen meubelen en hierbij overwogen dat de medewerking expliciet alleen is bedoeld voor opslag en niet voor detailhandel. De loods op het perceel wordt gebruikt voor de opslag van houten kozijnen ten behoeve van [bedrijf]. Nu het hier de opslag van houten producten betreft heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de loods valt onder de reikwijdte van de bij besluit van 21 mei 2003 verleende vrijstelling. De omstandigheid dat sprake is van opslag ten behoeve van [bedrijf] maakt dit niet anders. Slechts het gebruik ten behoeve van detailhandel is uitgezonderd. Zodanig gebruik is echter niet aan de orde.

2.4.    Gezien het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van handelen in strijd met een wettelijk voorschrift en het college dan ook niet bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

17-503.