Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605493/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de gemeenteraad van Hoogezand-Sappemeer het bestemmingsplan "Herziening ex artikel 30 WRO plan Kleinemeer e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605493/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de gemeenteraad van Hoogezand-Sappemeer het bestemmingsplan "Herziening ex artikel 30 WRO plan Kleinemeer e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 juni 2006, nr. 2005-25.132/23/B.3, RP, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] bij brief van 18 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 september 2006 heeft [belanghebbende] verzocht om als partij te worden toegelaten. Dit verzoek is door de Voorzitter van de Afdeling toegewezen.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door E.J. van der Kooi, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Hoogezand-Sappemeer, vertegenwoordigd door A.R. van der Zee, ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbende], in persoon, als partij gehoord. [appellanten sub 1 en sub 2] zijn ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formele aspecten

2.2.    Appellanten stellen dat zij ten onrechte niet door verweerder gehoord zijn, ondanks de schriftelijke toezegging dat dit wel zou gebeuren.

2.3.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het hieruit volgende recht volgt dat, voor zover dit recht ingevolge de overgangsbepalingen daarvan van toepassing is, met ingang van 1 juli 2005 de in artikel 27 van de WRO opgenomen verplichting om degenen die overeenkomstig dat artikel tijdig bedenkingen hebben ingediend in de gelegenheid te stellen een nadere mondelinge toelichting te geven, is vervallen. Omdat het ontwerp van dit bestemmingsplan met ingang van 28 juli 2005 ter inzage heeft gelegen, bestond ten aanzien van de door appellanten ingediende bedenkingen geen wettelijke verplichting om appellanten deze gelegenheid te bieden.  

Met appellanten is de Afdeling evenwel van oordeel dat verweerder, door in de ontvangstbevestiging van de bedenkingen te vermelden dat een uitnodiging zal worden verzonden om tijdens een openbare hoorzitting de bedenkingen toe te lichten, bij appellanten de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat zij voordat het besluit zal worden genomen de gelegenheid krijgen te worden gehoord. Dat de tekst van deze ontvangstbevestiging abusievelijk betrof de tekst zoals deze werd verzonden onder de toepassing van het oude recht, zoals door verweerder betoogd, doet hieraan niet af. Hierbij acht de Afdeling tevens van belang dat verweerder noch schriftelijk, noch op andere wijze appellanten alsnog in kennis heeft gesteld van het feit dat de toegezegde hoorzitting niet zal plaatsvinden.

De Afdeling is van oordeel dat bovengenoemde handelwijze in strijd is met de zorgvuldigheid die bij het voorbereiden van een besluit in acht dient te worden genomen.

De beroepen zijn reeds hierom gegrond en het besluit dient, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hierna onder 2.4. genoemde plandeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op de aard van het gebrek en de omstandigheden van het geval ziet de Afdeling evenwel aanleiding, aangezien anderzijds, zoals hierna zal worden overwogen, geen grond tot vernietiging aanwezig is, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het goedkeuringsbesluit, voor zover vernietigd, in stand te laten. Zij neemt hierbij in aanmerking dat appellanten geen inhoudelijke feiten en omstandigheden hebben gesteld op basis waarvan moet worden aangenomen dat het houden van een hoorzitting in dit geval voor hen in het bijzonder van belang was. Hiertoe overweegt de Afdeling dat appellanten niet hebben aangegeven welke nadere toelichting zij in aanvulling op de door hen ingediende stukken op deze hoorzitting voornemens waren te geven en dat zij evenmin ter zitting zijn verschenen om hun beroep op dit punt nader toe te lichten.

Het standpunt van appellanten ten aanzien van de inhoudelijke aspecten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" wat betreft het perceel grenzend aan het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] nummer […] (hierna: het plandeel). Appellanten stellen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door schaduw, zichtbeperking en dat waardedaling van hun woningen optreedt.

Appellanten voeren daartoe aan dat de woning te diep gebouwd mag worden en dat ten onrechte geen maximale bouwhoogte is vastgesteld. Bovendien past volgens appellanten de woning niet in de historisch gegroeide lintbebouwing. Appellanten stellen daarbij dat het plandeel niet ligt in stedelijk gebied, maar in een landelijke, veenkoloniale situatie die bescherming verdient.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat zich niet voordoet. Volgens verweerder past het plan binnen de stedenbouwkundige structuur, waarbij de maatvoering niet afwijkt van de maatvoering die in het bestemmingsplan "Kleinemeer e.o." is opgenomen voor de overige woonbebouwing aan de Vosholen en de Borgercompagniesterstraat. De lintbebouwing geniet geen bijzondere bescherming en het betreft een binnenstedelijke situatie, waarbij invulling van een open ruimte in een overigens min of meer gesloten gevelwand plaatsvindt, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij zijn besluit van 6 januari 2004, no. 2003-12.948/2/A.16, RP, heeft verweerder goedkeuring onthouden aan het plandeel waarop de onderhavige planherziening (onder meer) ziet. Hierbij heeft verweerder, kort weergegeven, overwogen dat, gelet op een vergelijkbare breedte en perceelsdiepte van het perceel met de aan het plandeel grenzende percelen en van vele andere binnen het plangebied gelegen bouwpercelen, niet duidelijk is aan welke stedenbouwkundige voorwaarden niet kan worden voldaan. Voorts heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken dat er vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dan wel vanwege een onevenredige aantasting van het woongenot van derden bezwaren bestaan tegen de bouw van een woning op dit perceel.

2.7.    In haar uitspraak van 9 juni 2004 in zaak no. 200401468/1 heeft de Afdeling de in overweging 2.6. genoemde onthouding van goedkeuring, waartegen beroep is ingesteld, in stand gelaten. In deze uitspraak heeft de Afdeling hieromtrent het volgende overwogen:

   "Gelet op de oppervlakte van het perceel en de ligging daarvan aan een straat met woonbebouwing, is de Afdeling verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat de bouw van een woning op het perceel op stedenbouwkundige bezwaren stuit. Bij het ingevolge artikel 30 van de WRO op te stellen plan dient de gemeenteraad dan ook mede aandacht te schenken aan het ter zitting uiteengezette standpunt van verweerder dat binnen het plangebied percelen met een vergelijkbare breedte zijn bebouwd met een vrijstaande woning."

2.8.    De gemeenteraad heeft volgens de plantoelichting hierin aanleiding gezien de beslissing omtrent de toelaatbaarheid van een woning ter plaatse te heroverwegen en is daarbij tot de conclusie gekomen dat het realiseren van een woning op deze plaats goed ruimtelijk en stedenbouwkundig inpasbaar is. Hierbij heeft de gemeenteraad volgens de plantoelichting betrokken dat de grootte van het perceel vergelijkbaar is met de grootte van percelen waar eveneens vrijstaande woningen op zijn gebouwd. Er is voldoende ruimte voor het parkeren op eigen terrein. Voorts is het standpunt ingenomen dat indien aan de bebouwingsbepalingen wordt voldaan, voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de omwonenden en de beoogde ruimtelijke en stedenbouwkundige structuren. Hieromtrent staat in de plantoelichting dat eventuele hinder voor omwonenden wordt beperkt doordat de tuin van de woning aan [locatie 1] zich grotendeels aan de zijde van de Vosholen bevindt. Voorts staat in de plantoelichting dat de diepte van het bouwvlak als standaard wordt gebruikt en mede is gebaseerd op afstanden genoemd in de bouwverordening.

2.9.    Ingevolge artikel 4, onder B.1.d., van de planvoorschriften, in samenhang met de plankaart, is de goothoogte ten hoogste 4,5 meter en de hellingshoek van het dak tussen de 30o en 60o. Het bouwvlak is 7.80 meter breed en 15 meter diep.

Ingevolge artikel 4, onder B.1.c., van de planvoorschriften, bedraagt de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrenzen tenminste 3 meter. In artikel 4, onder D, van de planvoorschriften, is een aantal vrijstellingsmogelijkheden van de bebouwingsbepalingen opgenomen.

De voor het plandeel toegestane maatvoering is dezelfde als die ingevolge het bestemmingsplan "Kleinemeer e.o." voor woningen van bouwklasse A geldt. De woning van appellant [appellant sub 1], [locatie 2] valt evenals de meeste woningen aan de Borgercompagniesterstraat en de Vosholen onder bouwklasse A. De woning van [appellant sub 2] valt onder de bouwklasse B van het bestemmingsplan Kleinemeer e.o., waardoor voor zijn woning een maximale goothoogte van 6.00 meter is toegestaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    De vaststelling van het plandeel is gebaseerd op artikel 30 van de WRO, nadat de Afdeling het besluit van het college van gedeputeerde staten met de daaraan gegeven motivering van de onthouding van goedkeuring in stand heeft gelaten. De beslisruimte van de gemeenteraad is op grond van de in artikel 30 van de WRO opgenomen verplichting om een nieuw plan vast te stellen en daarbij het besluit van het college van gedeputeerde staten in acht te nemen, ingekaderd. Als gevolg hiervan diende de gemeenteraad in dit geval, gelet op overweging 2.6. en 2.7., bij het vaststellen van het nieuwe plan nader te motiveren waarom stedenbouwkundige dan wel andere redenen in de weg staan aan het toestaan van een woning ter plaatse ofwel, bij afwezigheid van deze redenen, de bouw van een woning mogelijk te maken. In dit geval heeft de gemeenteraad besloten de bouw van een woning mogelijk te maken. De Afdeling gaat in het navolgende na of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gemeenteraad op juiste wijze aan zijn verplichting heeft voldaan en of overigens in hetgeen appellanten hebben aangevoerd grond bestaat voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit in strijd is met het recht.

2.11.    Dat de lintbebouwing van de Vosholen en de Borgercompagniesterstraat bijzondere bescherming geniet, bijvoorbeeld op grond van de Monumentenwet 1988, is niet gebleken. Ook overigens is niet gebleken dat aan deze lintbebouwing bijzondere waarde moet worden toegekend. Hoewel geen afzonderlijke maximale bouwhoogte in het plan is opgenomen is deze af te leiden uit de toegestane goothoogte in combinatie met de dakhelling en de grootte van het bouwvlak. Niet gebleken is dat het plan op dit punt onvoldoende rechtzeker is. Voorts komt deze bestemmingsregeling overeen met de regeling die voor de omringende woonbebouwing geldt ingevolge het bestemmingsplan "Kleinemeer e.o.". Omtrent de diepte van het bouwvlak is niet gebleken dat het standpunt van de gemeenteraad dat het hier een gebruikelijke diepte betreft, onjuist is.

Verweerder heeft zich voorts, in navolging van de gemeenteraad, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verwezenlijken van een woning op deze plek kan worden gekwalificeerd als het invullen van een open ruimte in een overigens min of meer gesloten gevelwand die past binnen de stedenbouwkundige structuur. Hierbij heeft hij van belang kunnen achten dat de toegestane maatvoering niet ruimer is dan de maatvoering die in het bestemmingsplan "Kleinemeer e.o." is toegestaan voor de overige woonbebouwing aan de Vosholen en de Borgercompagniesterstraat. Verweerder heeft zich derhalve, in navolging van de gemeenteraad, op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel voorziet in de bouw van een woning die in grote lijnen overeenstemt met en past binnen de reeds aanwezige bebouwing. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de historisch gegroeide lintbebouwing wordt aangetast.

Gelet op de situering van het bouwvlak ten opzichte van de omliggende bebouwing in samenhang met de bebouwingsvoorschriften bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de bouw van de woning leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten. Hoewel het perceel thans onbebouwd is, en de aan beide zijden daarvan gelegen woningen van appellanten in zoverre een minder vrij uitzicht krijgen, is niet gebleken dat de bouw van een woning, mede gelet op de maat en schaal daarvan, zal leiden tot ernstige schaduwwerking of anderszins de woon- en leefsituatie ter plaatse ernstig verslechtert.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten betreft bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.11.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met het recht. Het beroep slaagt in zoverre niet.

2.12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 6 juni 2006, kenmerk 2005-25.132/23/B.3, RP, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I", wat betreft het perceel grenzend aan het perceel [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] nummer […], aangeduid op kaart a van het bestemmingsplan "Herziening ex artikel 30 WRO plan Kleinemeer e.o.";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het betreft het onder II genoemde plandeel;

IV.    gelast dat de provincie Groningen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 1 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

317-547.