Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200606813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het uitbreiden van de nertsenhouderij met twee honden gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2464

Uitspraak

200606813/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het uitbreiden van de nertsenhouderij met twee honden gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 september 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 oktober 2006.

Bij brief van 21 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.M. Legebeke, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door H.J. Hof, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten voeren aan dat niet verweerder maar het college van gedeputeerde staten van Overijssel het bevoegd gezag is om vergunning te verlenen, nu binnen de inrichting sprake is van het hergebruiken van astbest of andere afvalstoffen.

   Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van heden in zaak no. 200601715/1 is verweerder aan te merken als het bevoegd gezag om een vergunning voor de onderhavige inrichting te verlenen, zodat hij terecht de aanvraag in behandeling heeft genomen. Deze beroepsgrond faalt.

2.2.    Voor zover appellanten aanvoeren dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door hen ingediende zienswijzen overweegt de Afdeling dat alle door appellanten in de zienswijzen ingebrachte onderwerpen in het bestreden besluit aan de orde zijn geweest. Deze beroepsgrond faalt.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellanten voeren aan dat de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de inrichting met twee honden directe ammoniakschade met zich brengt voor de coniferen, die zich op het erf van appellanten bevinden.

   De coniferen waar appellanten op doelen, bevinden zich achter de schutting die de percelen van appellanten en vergunninghouder van elkaar scheidt. Gelet hierop en nu de uitbreiding van de inrichting slechts ziet op het houden van twee honden, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor directe ammoniakschade voor de coniferen niet behoeft te worden gevreesd. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellanten voeren aan dat reeds sprake is van een uit een oogpunt van stankhinder overbelaste situatie, zodat de inrichting niet mag worden uitgebreid met twee honden in verband met de daarmee gepaard gaande toename van stankhinder.

   De grens van het verblijfgebied van de honden op het terrein van de inrichting ligt op ongeveer 50 meter van de woning van appellanten. Ter zitting is echter gebleken dat de honden zich voornamelijk bevinden in en rond hun nachtverblijven, die op meer dan 50 meter van de woning van appellanten zijn gelegen. Voorts moeten de uitwerpselen van de honden ingevolge voorschrift 1.4 dagelijks worden verzameld en worden opgeslagen in een gesloten mestopslag. Gezien deze omstandigheden is het naar het oordeel van de Afdeling geenszins aannemelijk dat het houden van twee honden binnen de inrichting ter plaatse van de woning van appellanten onaanvaardbare stankhinder veroorzaakt. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.    Appellanten voeren aan dat ten onrechte niet is onderzocht of de aan de eerder ten behoeve van de inrichting verleende revisievergunning verbonden geluidvoorschriften kunnen worden nageleefd.

   Verweerder heeft ter voorkoming dan wel beperking van de door de honden te veroorzaken geluidhinder voorschriften aan de veranderingsvergunning verbonden. Ingevolge voorschrift 1.2 moeten de honden een antiblafband dragen. Een antiblafband is een halsband met een ingebouwd apparaat dat reageert op het blaffen van de hond door middel van een contactpunt dat de trillingen van de stembanden waarneemt. Wanneer de hond blaft, volgt er een piepsignaal en een lichte stroomstoot in de hals. Hierdoor zal het geblaf van de honden gering zijn, aldus verweerder. Verder dienen ingevolge voorschrift 1.3 de bevestiging en de werking van de antiblafband dagelijks te worden gecontroleerd.

   Ter zitting is van de zijde van verweerder onweersproken verklaard dat uit de resultaten van een groot aantal bij de inrichting uitgevoerde controles blijkt dat de antiblafbanden goed werken en dat de honden nauwelijks meer blaffen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om de geluidbelasting als gevolg van het geblaf van de twee honden voldoende te beperken dan wel te voorkomen. Gelet hierop en in aanmerking genomen het beperkt aantal honden en de ruime afstand waarop zij zich doorgaans tot de woning van appellanten bevinden, is voldoende aannemelijk dat de aan de revisievergunning verbonden geluidvoorschriften kunnen worden nageleefd. Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Hardeveld

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

159-492.