Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200604605/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd de op 18 mei 2001 aan appellant sub 2 verleende bouwvergunning (hierna: de bouwvergunning) voor het bouwen van een bedrijfsgebouw (werkplaats/berging) op het perceel aan de [locatie] te [plaats] in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2007/472
ABkort 2007/211

Uitspraak

200604605/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6571 van de rechtbank Haarlem van 11 mei 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd de op 18 mei 2001 aan appellant sub 2 verleende bouwvergunning (hierna: de bouwvergunning) voor het bouwen van een bedrijfsgebouw (werkplaats/berging) op het perceel aan de [locatie] te [plaats] in te trekken.

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2006, verzonden op 15 mei 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 22 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 22 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] en het college hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 20 juli 2006 respectievelijk 24 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 augustus 2006 heeft [appellant sub 2] een nadere reactie ingediend.

[wederpartijen], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, hebben bij brief van 28 september 2006 een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus, ambtenaar van de gemeente, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartijen], bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartijen] hebben in hun reactie van 28 september 2006 eigen gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. Zij hebben evenwel geen ontvankelijk hoger beroep ingesteld. Hetgeen [wederpartijen] buiten de hoger beroepstermijn hebben aangevoerd, dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

2.2.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. In de bouwverordening van de gemeente Zaanstad is die termijn bepaald op 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning. Vast staat dat binnen deze termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, zodat het college bevoegd was een besluit te nemen over het intrekken van de bouwvergunning.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden dat op het perceel water aanwezig is en dat op het perceel een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet relevant zijn in het kader van de besluitvorming omtrent de intrekking van de bouwvergunning, omdat het college een redelijk motief had voor zijn besluit te weigeren de bouwvergunning in te trekken. Gelet hierop was volgens appellanten geen plaats voor een verdere belangenafweging, zodat het college terecht geen onderzoek heeft gedaan naar de hiervoor bedoelde omstandigheden.

2.3.1.    Vooropgesteld wordt dat intrekking van een bouwvergunning geen verplichting is maar een bevoegdheid. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het open houden van de mogelijkheid gebruik te maken van de bouwvergunning in het geval dat de in 2004 en 2005 aan [appellant sub 2] verleende bouwvergunningen niet onherroepelijk worden, op zichzelf een redelijk motief voor het college is om af te zien van het gebruik maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning. Hieraan doet echter niet af dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 24 mei 2006 in zaak no. 200504650/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2006, 368), alle relevante belangen moeten worden geïnventariseerd en afgewogen bij de hantering van de bevoegdheid tot intrekking van een bouwvergunning. Dat bij het verlenen van een bouwvergunning, gelet op het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet, geen plaats is voor een afweging van belangen, betekent - anders dan appellanten betogen - derhalve niet dat daarvoor ook geen plaats is bij beantwoording van de vraag of van de bevoegdheid tot intrekken van een bouwvergunning gebruik wordt gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat feitelijke en privaatrechtelijke omstandigheden, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van de bouwvergunning, relevante belangen kunnen zijn bij de hantering van voormelde bevoegdheid. De Afdeling tekent hierbij wel aan dat, anders dan uit de aangevallen uitspraak zou kunnen worden afgeleid, voor het oordeel dat van een privaatrechtelijke belemmering als hier bedoeld sprake is, slechts aanleiding bestaat wanneer zo'n belemmering evident is. De burgerlijk rechter is immers de eerst aangewezene om tussen partijen bestaande privaatrechtelijke geschillen te beslechten. Aan de gehoudenheid om de relevante feitelijke gegevens in de afweging te betrekken doet dit echter niet af. Aangezien het college dit heeft nagelaten, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de beslissing op bezwaar niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en genomen.

2.4.    Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de advocaat van [appellant sub 2] niet heeft uitgenodigd voor de zitting bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging ter vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

Bij brief van 7 december 2005 heeft de rechtbank [appellant sub 2] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Indien [appellant sub 2] van deze gelegenheid gebruik wenste te maken, had hij de rechtbank daarvan binnen twee weken schriftelijk moeten berichten. Van deze gelegenheid heeft [appellant sub 2] geen gebruik gemaakt, zodat de rechtbank er vanuit mocht gaan dat [appellant sub 2] niet als partij aan het geding wenste deel te nemen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien (de advocaat van) [appellant sub 2] uit te nodigen voor de zitting.

2.5.    Het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft toegestaan dat [wederpartijen] op de zitting bij de rechtbank nadere stukken mochten inbrengen, faalt, nu ter zitting is gebleken dat het hier gaat om stukken die [wederpartijen] ook reeds bij hun beroepschrift hadden overgelegd.

2.6.    Het college betoogt ten slotte dat [wederpartijen] de rechtbank ter zitting hebben gewezen op één of meer tekeningen en dat het college door de rechtbank ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren.

2.6.1.    Dit betoog faalt eveneens. Uit de stukken, met name het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 21 april 2006, is niet gebleken dat door de rechtbank stukken in aanmerking zijn genomen die bij appellanten niet bekend waren en door hen onvoldoende zijn toegelicht.

2.7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                             w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

328-531.