Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605839/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een blokhut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605839/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 06 / 1097 van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2006 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een blokhut.

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard met betrekking tot de onzorgvuldige voorbereiding, dit gebrek hersteld en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2006, verzonden op 7 juli 2006, heeft de rechtbank Rotterdam het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief ingekomen op 5 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 september 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het onderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. den Braber en T.J. van Rossum, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij] daar gehoord als belanghebbende.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartij] heeft verzocht om op het door hem aangekochte terrein gelegen voor de voortuin van zijn woning aan de [locatie 1] te Stad aan 't Haringvliet een blokhut te mogen bouwen. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Stad aan 't Haringvliet". Op het terrein rust ingevolge dit plan de bestemming "verkeer". Vast staat dat het bouwplan daarmee in strijd is.

2.2.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.3.    Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft het college de weigering om ten behoeve van de bouw van voornoemde blokhut aan [wederpartij] met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro vrijstelling te verlenen, gehandhaafd op de grond dat de blokhut is gesitueerd op een terrein gelegen vóór de voorgevelrooilijn hetgeen in strijd is met het beleid dat binnen de gemeente ter zake wordt toegepast.

2.4.    De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat het college bij de weigering om vrijstelling te verlenen ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de plaats waar de blokhut is beoogd, is gelegen vóór de voorgevelrooilijn en heeft de beslissing op bezwaar gelet daarop wegens een motiveringsgebrek vernietigd.

2.5.    Het college komt in hoger beroep op tegen dit oordeel van de rechtbank en betoogt dat de rechtbank van een onjuiste ligging van de voorgevelrooilijn uit is gegaan. Dit betoog slaagt.

2.5.1.    Nu het geldende bestemmingsplan de ligging van voorgevelrooilijnen niet regelt, is aanvullend van toepassing het bepaalde omtrent de voorgevelrooilijn in de gemeentelijke bouwverordening. Daarin wordt onder de voorgevelrooilijn verstaan:

a.    langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdige aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

b.    langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:

   -    bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;

   -    bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

2.5.2.    De Afdeling stelt vast dat de Zevenster een weg is in de zin van de bouwverordening, te weten - voor zover hier van belang - een voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of pad. De rij bestaande woningen vormt de bestaande bebouwing langs die weg. De voorgevels van die woningen liggen in een min of meer evenwijdig met de as van die weg lopende lijn. Dit geldt zowel voor de rij woningen met nummers [locatie 1] en [locatie 2], waarin zich de woning van appellant bevindt, als voor de rij woningen met nummers […] tot en met […] die daar haaks op staat. Ook de Zevenster heeft een min of meer haakse hoek. Voor beide rijen woningen is de voorgevelrooilijn dan ook op grond van het hiervoor onder 2.5.1. weergegeven bepaalde onder a gelegen in de lijn waarin de voorgevels zich bevinden. Het tussen de voortuinen van de woningen aan de Zevenster en het door appellant gekochte tuinperceel gelegen pad doet - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - aan de ligging van die voorgevelrooilijn ten opzichte van de Zevenster niet af. Het standpunt van de rechtbank dat de op het terrein aanwezige bestaande bebouwing ertoe leidt dat aan de andere zijde van het pad een voorgevelrooilijn geldt ter hoogte van die bebouwing, volgt de Afdeling dan ook niet. Die bebouwing betreft een oude varkensschuur langs de Zevenster die daar in afwijking van de lijn van de voorgevels van de woningen staat, zodat daaraan bij het bepalen van de plaats van de voorgevelrooilijn maakt dat niet anders.

2.5.3.    Uit het voorgaande volgt dat het college bij de beoordeling van de aanvraag van [wederpartij] van een juiste ligging van de voorgevelrooilijn is uitgegaan. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6.    Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen gaat de Afdeling in op het bij de rechtbank door [wederpartij] ingestelde beroep tegen bij de bestreden beslissing op bezwaar gehandhaafde weigering voor de bouw van de blokhut vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

2.7.    Vaststaat dat de bouw van de blokhut, omdat deze is gesitueerd vóór de voorgevelrooilijn, in strijd is met het ter zake geldende gemeentelijke beleid, zoals dat is neergelegd in de op 1 september 2005 vastgestelde "Nota Vrijstellingenbeleid". Het college heeft zich gelet op de precedentwerking die ervan uitgaat alsmede op het feit dat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan ter plaatse geen bebouwing mogelijk zal maken in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen grond bestaat om in dit geval van het beleid af te wijken. Dat [wederpartij] het perceel heeft gekocht om te voorkomen dat het zou worden verwaarloosd en als opslagterrein zou worden gebruikt, is in dit verband niet relevant.

2.8.    Het beroep van [wederpartij] op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Dat het college in vergelijkbare gevallen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro vrijstelling heeft verleend heeft [wederpartij] wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt. Dat de door hem overgelegde publicaties van door het college met toepassing van die bepaling verleende vrijstellingen gelijke gevallen betreffen, is niet gebleken.

2.9.    Nu uit het voorgaande volgt dat de gevraagde vrijstelling in redelijkheid al kon worden geweigerd op de grond dat het geldende beleid daaraan in de weg staat, komt de Afdeling niet meer toe aan beoordeling van het mede aan de weigering van de vrijstelling ten grondslag gelegde negatieve welstandsadvies.

2.10.    Het beroep van [wederpartij] tegen de bestreden beslissing op bezwaar van 11 oktober 2005 van het college dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2006 in zaak no. WRO 06 / 1097;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek                       w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter                                          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

47