Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200606204/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij koninklijk besluit van 1 mei 2000 is het koninklijk besluit van 22 september 1998, waarbij aan appellant het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 15, geldigheid: 2007-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/235
JN 2007/20

Uitspraak

200606204/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3373 van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.    Procesverloop

Bij koninklijk besluit van 1 mei 2000 is het koninklijk besluit van 22 september 1998, waarbij aan appellant het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2006, verzonden op 14 juli 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 september 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam, en de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren, door intrekking door de minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

   Eerder (uitspraak van 25 augustus 2004 in zaak no. 200308548/1, JV 2004/404) heeft de Afdeling overwogen dat deze bepaling aldus dient te worden gelezen, dat de verleende Nederlandse nationaliteit met toepassing daarvan slechts mag worden ingetrokken, indien betrokkene, in strijd met een door hem ondertekende verklaring, opzettelijk zijn oorspronkelijke nationaliteit niet heeft opgegeven.

2.2.    Het koninklijk besluit van 1 mei 2000 is genomen krachtens voormeld artikellid. Bij onherroepelijke uitspraak van 9 mei 2005 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen de bij besluit van 18 juni 2004 door de minster gehandhaafde intrekking gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigd. Daartoe heeft zij, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

   "Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat, nu eiser in bezwaar middels een verklaring van de Consul-generaal van de het (lees: het) consulaat van Kaapverdië heeft aangetoond dat hij stappen heeft gezet om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht welke betekenis daaraan diende toe te komen. Dit geldt temeer nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat er wellicht onderhandelingen mogelijk zijn met de Kaapverdische autoriteiten in de zin dat de Kaapverdische autoriteiten, ter voorkoming dat eiser staatloos wordt, een voorlopige afstandsverklaring geven totdat duidelijk is of eiser het Nederlanderschap terug krijgt."

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de minister in zijn besluit van 29 juli 2005 niet aan voormelde uitspraak heeft voldaan. Hij voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hem opnieuw had moeten horen over de betekenis van de stappen die hij heeft gezet om afstand te doen van zijn Kaapverdische nationaliteit en de strekking van een brief van zijn toenmalige gemachtigde van 21 september 2001 had behoren te onderzoeken. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister de gevolgen van zijn niet tijdig handelen voor zijn rekening heeft mogen laten en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat hij al het mogelijke heeft gedaan om zijn Kaapverdische nationaliteit te verliezen.

2.3.1.    In het besluit van 29 juli 2005 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellant zich tijdens de indiening van het verzoek weliswaar bereid heeft verklaard op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te ondernemen die ertoe leiden dat zijn Kaapverdische nationaliteit wordt verloren, maar dat hij, hoewel hij daartoe meermalen is uitgenodigd, hiertoe niet is overgegaan. Eerst na de intrekking van het besluit waarbij hem het Nederlanderschap is verleend, heeft appellant, blijkens een verklaring van de Consul-Generaal van het consulaat van Kaapverdië te Rotterdam van 12 mei 2000, een verzoek tot afstand van zijn Kaapverdische nationaliteit ingediend. De minister heeft zich ten aanzien van dit verzoek, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat dit geen grond oplevert de intrekking ongedaan te maken, omdat niet is gebleken dat appellant niet eerder in staat was een zodanig verzoek in te dienen. Dat van de geboden termijn van totaal ruim anderhalf jaar geen gebruik is gemaakt met als gevolg intrekking van het Nederlanderschap komt derhalve voor risico van appellant, aldus voormeld besluit.

2.3.2.    De minister heeft gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2005 in zijn besluit van 29 juli 2005 derhalve wel onderzocht welke betekenis aan de verklaring van de Consul-Generaal diende toe te komen, maar heeft hierin onder de in het besluit vermelde omstandigheden geen grond hoeven vinden de intrekking ongedaan te maken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is niet gebleken dat appellant niet eerder in staat was een verzoek tot afstand in te dienen. Evenzeer terecht heeft de rechtbank overwogen dat de minister onder voormelde omstandigheden de gevolgen van het niet tijdig handelen van appellant voor zijn risico heeft mogen laten. Zo ook dat de minister in de door appellant gestelde omstandigheid dat de Kaapverdische autoriteiten inmiddels weigeren mee te werken aan de afstandsprocedure, totdat duidelijk is dat appellant zijn Nederlandse nationaliteit herkrijgt, en appellant derhalve in een patstelling is komen te verkeren, geen grond heeft hoeven vinden de intrekking ongedaan te maken.

   Ook voor het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de strekking van de brief van 21 september 2001 had behoren te onderzoeken, omdat deze naar zijn mening een onderbouwing van de hiervoor vermelde weigering van de Kaapverdische autoriteiten is, bestaat derhalve geen grond.

2.3.3.    Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister gehouden was appellant opnieuw te horen over de betekenis van de stappen die hij heeft gezet om afstand te doen van zijn Kaapverdische nationaliteit. De hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, vormt een onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Aan deze hoorplicht is voldaan, omdat appellant voorafgaand aan de eerste beslissing op bezwaar in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. In artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is niet een algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd.

   Wel kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om belanghebbenden voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Reeds ten tijde van de hoorzitting van 8 juni 2004 was bekend dat appellant een verzoek tot afstand van zijn Kaapverdische nationaliteit had ingediend en lag het standpunt van de Consul-Generaal voor dat dat verzoek niet verder in behandeling zou worden genomen zolang appellant het Nederlanderschap niet herkrijgt, omdat hij bij verlies van zijn Kaapverdische nationaliteit staatloos zou worden.

2.3.4.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister in zijn besluit van 29 juli 2005 niet aan de uitspraak van 9 mei 2005 heeft voldaan en met juistheid geconcludeerd dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat appellant tijdig al het mogelijke heeft gedaan om zijn Kaapverdische nationaliteit te verliezen. Dat appellant niet willens en wetens handelingen heeft verricht die als doel hadden van zijn oorspronkelijke nationaliteit geen afstand te doen, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zijn betoog dat dit is vereist alvorens de Nederlandse nationaliteit mag worden ingetrokken, bestaat geen grond.

   Voorts heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, de uitspraken van de Afdeling van 10 augustus 2005 in de zaken nos. 200410536/1 (JV 2005/365) en 200410550/1 (JV 2005/366) bij haar oordeelsvorming mogen betrekken. Dat de feiten in die zaken niet geheel identiek zijn aan die in de onderhavige zaak, maakt dit niet anders.

   Het betoog faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groeneweg

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

32-485.