Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200606127/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2005 heeft de Raad voor Rechtsbijstand te Leeuwarden (hierna: de raad) de aanvraag van appellant om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606127/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1765 van de rechtbank Leeuwarden van 11 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Raad voor Rechtsbijstand te Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2005 heeft de Raad voor Rechtsbijstand te Leeuwarden (hierna: de raad) de aanvraag van appellant om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de raad het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2006, verzonden op 12 juli 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 november 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2007, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hamer, werkzaam bij de raad, is verschenen. Appellant is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

   Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb beslist de raad op de aanvraag om een toevoeging ten behoeve van: rechtsbijstand door een advocaat.

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van de raad eenvoudig afgehandeld kan worden.

2.2.    Bij de beslissing op bezwaar heeft de raad de afwijzing van de aanvraag van appellant om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand door een advocaat voor het indienen van een klacht bij de Nationale Ombudsman gehandhaafd, omdat het indienen van een dergelijke klacht een rechtsprobleem betreft dat eenvoudig kan worden afgehandeld en appellant voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat het indienen van die klacht noopte tot het toevoegen van een advocaat.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het indienen van de door hem beoogde klacht bij de Nationale Ombudsman een situatie betreft als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb.

   De klacht van appellant bij de Nationale Ombudsman betreft immers een klacht over de afhandeling van een aanvraag om een toevoeging. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat voor het indienen van een klacht als hier aan de orde de bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is, temeer nu appellant ook de mogelijkheid had de bijstand in te roepen van een andere persoon of instelling buiten de sfeer van de Wrb, zoals bijvoorbeeld de spreekuurvoorziening van het Buro voor Rechtshulp. Appellant heeft geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die in dit geval voor het indienen van een klacht bij de Nationale Ombudsman rechtsbijstand van een advocaat vergden.

   Gelet hierop heeft de raad de aanvraag van appellant om een toevoeging in redelijkheid kunnen weigeren.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek                    w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

71-505.