Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200606389/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606389/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats]

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 28 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 25 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007 waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door drs. E.A.M.A. de Hoogh, en [een van de appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door F. Reijnierse, en verweerder vertegenwoordigd door P.B. Kruit, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de vergunninghouder in persoon en bijgestaan door P.J.G. Belde, ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29421, nr. 3, blz. 5 e.v. en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over een onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

   Aan een besluit inzake een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer ligt een aantal beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen, zoals geluidemissie en geuremissie, ten grondslag. Deze beslissingen kunnen naar het oordeel van de Afdeling als onderdelen in vorenbedoelde zin van dat besluit worden beschouwd. Gelet hierop en gezien de weergegeven uitleg van artikel 6:13, kunnen in beroep in beginsel slechts categorieën milieugevolgen aan de orde worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht.

   Appellanten sub 2 hebben tegen het ontwerpbesluit geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot overlast van ongedierte. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat appellanten sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hierover geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft, voor zover van belang, betrekking op het houden van ten hoogste 16 paarden in drie stallen met 14 boxen. Ten behoeve van de inrichting is eerder bij besluit van 5 februari 1997 een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor een manege en daarmee samenhangende activiteiten voor het houden van ten hoogste 8 paarden in een stal met 8 boxen.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellant sub 1 en appellanten sub 2 vrezen onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van de korte afstand tussen de inrichting en woningen van derden en de verdubbeling van het aantal paarden ten opzichte van de onderliggende vergunning. Appellant sub 1 voert in verband hiermee tevens aan dat in die vergunde situatie reeds sprake is van een uit een oogpunt van stankhinder overbelaste situatie. Het is onduidelijk hoeveel paarden er in een stal zullen verblijven, aangezien er maar plaats is voor 14 paarden. Tot slot voert hij aan dat het twee maal per week uithalen van vaste mest ontoereikend is om onaanvaardbare stankhinder te voorkomen. Appellanten sub 2 stellen ten slotte dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de Wet geurhinder en veehouderij.

2.5.    Verweerder heeft bij de beoordeling van stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) en de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Omdat in de Richtlijn voor paarden geen vaste afstanden dan wel omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden zijn opgenomen, gaat verweerder voor het voorkomen dan wel voldoende beperken van stankhinder uit van een minimaal aan te houden afstand van 50 meter tussen stankgevoelige objecten en het dichtst bij deze objecten gelegen emissiepunt van de inrichting. De Afdeling is van oordeel dat het hanteren van een dergelijke minimaal in acht te nemen afstand binnen de aan verweerder toekomende beoordelingsvrijheid valt.

   Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom hij in dit geval aanleiding heeft gezien om van deze minimaal aan te houden afstand van 50 meter af te wijken. Hiervoor heeft hij gewezen op de ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stankhinder aan de vergunning verbonden voorschriften en het gegeven dat het hier om een beperkt aantal te houden paarden gaat en dat reeds eerder een stal voor het houden van 8 paarden is vergund. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat onder die omstandigheden onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.    In hoofdstuk 2, onder 2.2, zijn ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder aan de vergunning voorschriften verbonden die betrekking hebben op de behandeling en bewaring van vaste mest.

   Ingevolge voorschrift 2.2.1 moet de geproduceerde vaste mest 2 maal per week uit de stallen worden verwijderd. De stallen moeten 2 maal per week worden voorzien van een verse, voldoende dikke laag stro. De laag stro in de paardenboxen moet voldoende dik zijn om de gier van de paarden te kunnen opnemen.

   Ingevolge voorschrift 2.2.4 dient, ten einde stankhinder te beperken, de mest op de mestplaat afgedekt te zijn, behoudens ten behoeve van het transport van mest van of naar de mestplaat.

   Ingevolge voorschrift 2.2.6 moet vaste mest ten minste 6 maal per jaar uit de inrichting worden verwijderd.

2.7.    De Afdeling stelt voorop dat, omdat de Wet geurhinder en veehouderij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in werking was getreden, verweerder deze terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

   Omtrent het aantal in de inrichting aanwezige paardenboxen is ter zitting verklaard dat het om 14 boxen gaat waarin ruimte aanwezig is om de vergunde 16 paarden te kunnen huisvesten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand van de dichtstbijgelegen woning van derden aan [locatie 1] tot de stal waarin in de eerder vergunde situatie 8 paarden mochten worden gehouden ongeveer 21 meter bedraagt. Tot de woningen van derden aan de [locaties 2 en 3] en aan [locatie 4] bedroeg de afstand respectievelijk ongeveer 22, 42 en 32 meter. Naar het oordeel van de Afdeling moet in een dergelijke situatie worden gesproken van een uit een oogpunt van stankhinder overbelaste situatie. In aanmerking genomen dat niet voldaan wordt aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter, worden in de thans vergunde situatie naast de bestaande stal twee nieuwe stallen voor het houden van paarden gerealiseerd, waarbij een van de te realiseren stallen op een afstand komt van ongeveer 7 meter van de dichtstbijgelegen woning aan [locatie 2]. Tot de woningen aan [locatie 1 en 4] en aan [locatie 3] bedraagt deze afstand respectievelijk ongeveer 37, 10 en 38 meter. De afstand tussen de andere nog te realiseren stal en de woningen aan de [locatie 2 en 3] bedraagt respectievelijk ongeveer 27 en 32 meter en tot de woningen aan [locatie 1 en 4] ongeveer 40 meter. Verder blijkt uit de stukken dat beide nog te realiseren stallen ten opzichte van in totaal 15 woningen van derden op minder dan 50 meter komen te liggen. Dit alles betekent dat in een situatie waarin ten aanzien van enkele woningen van derden een uit een oogpunt van stankhinder overbelaste situatie bestaat een verdere verslechtering van die situatie optreedt ten gevolge van de realisering van die beide stallen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling aannemelijk geworden dat ook voor meerdere andere woningen van derden dientengevolge zich een overbelaste situatie zal gaan voordoen terwijl dat in de thans vergunde situatie nog niet het geval is. In de onderhavige overbelaste situatie kan het aan de vergunning verbinden van voorschriften, zoals verweerder hier heeft gedaan, niet leiden tot een uit een oogpunt van stankhinder toereikend beschermingsniveau. Nu zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een afstand korter dan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter rechtvaardigen, acht de Afdeling de verzochte uitbreiding van de inrichting ontoelaatbaar.

   Verweerder is met het verlenen van de gevraagde vergunning buiten de grenzen van de hem op grond van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid getreden. Het besluit verdraagt zich daarom niet met het bepaalde in artikel 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer, zodat verweerder de gevraagde vergunning had moeten weigeren. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.    De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9.    Verweerder dient ten aanzien van appellant sub 1 en appellanten sub 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het betreft de overlast van ongedierte;

II.    verklaart het beroep van appellant sub 1 geheel en het beroep van appellanten sub 2 voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen van 11 juli 2006, kenmerk GG/mi/7887;

IV.    weigert de gevraagde vergunning;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 682,53 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro en drieënvijftig cent) waarvan een gedeelte groot is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Vlissingen aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 357,07 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro en zeven cent); het dient door de gemeente Vlissingen aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Vlissingen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 1 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

159-541.