Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2219

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200604866/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een winkel/kantoorpand in een winkel/studentenhuisvesting op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/5332

Uitspraak

200604866/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/723 van de rechtbank Almelo van 19 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een winkel/kantoorpand in een winkel/studentenhuisvesting op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 mei 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar appellant in persoon, en het college vertegenwoordigd door, L.W.M. Lammerink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het realiseren van studentenhuisvesting in het woon- en kantoorgedeelte en het vernieuwen van de op het perceel bestaande berging en garage ten behoeve van studentenhuisvesting.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan 1949, Twekkerlerveld" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemmingen "Eengezinshuizen A1, winkels toegelaten" en "Tuinen".

2.3.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is, omdat het realiseren van studentenhuisvesting in strijd is met de bestemming "Eengezinshuizen A1, winkels toegelaten ", en omdat op gronden met de bestemming "Tuinen" slechts niet voor bewoning ingerichte bijgebouwen mogen worden opgericht. Voorts is het gezamenlijke oppervlak van de te realiseren bijgebouwen meer dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het college heeft geweigerd daarvoor vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid voormelde vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Daartoe betoogt hij dat het college ten onrechte vasthoudt aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan nu dat oud en achterhaald is. In dat verband wijst appellant er onder meer op dat er thans een universiteit in Enschede is gevestigd. Voorts levert zijn bouwplan volgens hem een wezenlijke bijdrage aan het verbeteren van het woongenot van buurtgenoten.

2.5.    Dit betoog faalt. Het college heeft uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening de vrijstelling geweigerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat binnen de wijk "Twekkelerveld", waarbinnen het perceel is gelegen, sprake is van een bovengemiddeld aandeel kleine appartementen. De verbouwing ten behoeve van studentenhuisvesting leidt, aldus het college, tot een onaanvaardbare verslechtering van de woonkwaliteit. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het wonen op een achtererf en in bijgebouwen stedenbouwkundig en planologisch ongewenst is. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de onderhavige vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

218-430.