Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200603647/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen een verklaring van geen bezwaar te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning met een garage/berging aan [locatie] op het perceel tussen nr. […] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603647/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/449 van de rechtbank Utrecht van 29 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen een verklaring van geen bezwaar te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning met een garage/berging aan [locatie] op het perceel tussen nr. […] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2006, verzonden op 5 april 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2007, waar appellanten in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ir. E.M. Marsman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen, N.J.M. Röling, ambtenaar van de gemeente, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten wonen op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Achter hun woning bevindt zich een leegstaande zomerwoning (hierna: de zomerwoning). Het bouwplan voorziet in het slopen van de zomerwoning en het oprichten van een woning met garage/berging (de burgerwoning) op het perceel tussen de woningen [locaties]

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Mijdrecht" rust op het perceel de bestemming "Natuurwetenschappelijk en landschappelijk waardevol agrarisch gebied". Het bouwplan is - naar ook niet in geschil is - in strijd met die bestemming, nu op de gronden met deze bestemming geen burgerwoning mag worden gebouwd. Het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen heeft het college verzocht om een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college heeft geweigerd deze verklaring te verlenen, omdat het oprichten van een burgerwoning in strijd is met het provinciaal beleid voor het landelijk gebied.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het provinciaal beleid. Daartoe betogen zij dat geen sprake is van een uitbreiding van de bebouwing, maar slechts van een verplaatsing van bestaande bebouwing, nu een zomerwoning wordt gesloopt en een burgerwoning wordt gebouwd. Volgens appellanten mag geen onderscheid worden gemaakt naar de aard van de bebouwing.

2.4.    Het college heeft bij zijn beoordeling het provinciaal beleid zoals dat is verwoord in het streekplan van de provincie Utrecht van 1 juli 1994 (hierna: het streekplan) en de Handleiding Bestemmingsplannen Buitengebied (hierna: de Handleiding) betrokken. Het provinciaal beleid met betrekking tot het landelijk gebied is er blijkens het streekplan op gericht dat in beginsel geen ruimte wordt geboden aan gebruiksvormen die niet functioneel aan het landelijk gebied zijn gebonden. Dat beleid is onder meer vorm gegeven door het opnemen van een rode contour op de bij het streekplan behorende plankaart, waarbinnen in beginsel woningbouw mag plaatsvinden. Het perceel is gelegen buiten deze rode contour. In het steekplan is ten aanzien van bebouwingscontouren bepaald dat deze zijn getrokken rond kernen in het gebied waar restrictief beleid wordt gevoerd als indicatie dat daar slechts verstedelijking binnen de contour plaats kan vinden. Het perceel is aangewezen als "Landelijk gebied 4". Dergelijke gebieden zijn gekarakteriseerd als landelijk gebied met verweven natuurwaarden en grondgebruik. Het betreft gronden met aanmerkelijke natuurwaarden, bestaande agrarische bedrijvigheid of het huidige recreatief gebruik als niet-strijdig grondgebruik, alsmede multifunctioneel bosgebied. In de Handleiding is ten aanzien van burgerwoningen vermeld dat nieuwvestiging van burgerwoningen in het landelijk gebied niet toelaatbaar is.

2.5.    De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voor wat betreft het vestigen van een burgerwoning in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid. De omstandigheid dat de zomerwoning elders op het perceel niet zal worden gehandhaafd, betekent niet dat de voorziene burgerwoning past binnen het beleid. Daartoe wordt verwezen naar het karakter van het gebied, in het streekplan aangeduid als "Landelijk gebied 4", waaruit volgt dat burgerbewoning in tegenstelling tot huidig recreatief gebruik niet tot de mogelijkheden behoort. In dat verband wordt ook verwezen naar de in het streekplan opgenomen passages ten aanzien van gebruiksvormen die niet functioneel aan het buitengebied zijn verbonden. Voorts heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met de Handleiding, nu daarin is vermeld dat de nieuwvestiging van burgerwoningen niet toelaatbaar is. Het betoog van appellanten kan derhalve niet slagen.

2.6.     De rechtbank heeft ten slotte het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel terecht verworpen. De door appellanten genoemde gevallen waarvoor wél een verklaring van geen bezwaar is afgegeven komen niet zodanig overeen met hun eigen situatie, dat geoordeeld zou moeten worden dat het college de beslissing op bezwaar heeft genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het perceel [locatie 2] betrof de herbouw van een woonschip dat positief was bestemd. Het perceel [locatie 3] zag op de vervanging van een recreatiewoning door een burgerwoning met een kleinere omvang op nagenoeg dezelfde locatie. Bij het perceel [locatie 4] ging het om de verplaatsing van een solitair in het gebied gelegen woning, waaraan door het college medewerking is verleend om de openheid van het gebied te herstellen. Het perceel [locatie 5] betrof de vervanging van een positief bestemde recreatiewoning met dezelfde omvang op dezelfde locatie.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

218-430.