Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605891/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen de sloop van het parkeerterrein, gelegen langs de autosnelweg A 79 ter hoogte van het Keelbos (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605891/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Platform Keelbos", gevestigd te Nuth,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1381 van de rechtbank Maastricht van 28 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen de sloop van het parkeerterrein, gelegen langs de autosnelweg A 79 ter hoogte van het Keelbos (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [voorzitter] en het college, vertegenwoordigd door drs. J.T.A.M. Dooper, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat met de ontmanteling van het parkeerterrein niet in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld. Hiertoe voert appellante aan dat door het verwijderen van het parkeerterrein de bestemming van het perceel wordt gewijzigd, hiermee sprake is van verboden gebruik en hiervoor geen vrijstelling als bedoel in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend.

2.1.1.    Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" de bestemming "Verkeersdoeleinden 1".

   Ingevolge artikel 45, onderdeel I, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de als verkeerdoeleinden 1 aangewezen gronden bestemd voor openbare wegen, parkeergelegenheden, bermen en tussenbermen.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met het in het plan bepaalde.

2.1.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden omdat er geen sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel is na de ontmanteling van het parkeerterrein met de zich daarop bevindende bouwwerken en de aanplant van groen aan te merken als berm. Dit gebruik is ingevolge artikel 45, onderdeel I, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften toegestaan. Reeds hierom was een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO dan ook niet vereist. Anders dan appellante betoogt houdt de doeleindenomschrijving voorts geen verplichting in om alle in deze omschrijving opgenomen gebruiksvormen te realiseren maar beperkt de gebruiksmogelijkheden van de grond tot een of meer van de opgenomen gebruiksvormen.

2.2.    Appellante betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 mei 2005 in stand heeft gelaten.

2.2.1.    Ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte ervan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

2.2.2.    De rechtbank heeft het besluit van 24 mei 2005 vernietigd omdat het voor wat betreft het al dan niet vereist zijn van een sloopvergunning niet berust op een deugdelijke motivering en op een onzorgvuldige wijze is voorbereid. Het college heeft volgens de rechtbank ten onrechte nagelaten onderzoek te doen naar de aard en de omvang van het bij de ontmanteling van het parkeerterrein vrijgekomen sloopafval. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat het college, indien bij een nog te verrichten onderzoek naar de aard en de hoeveelheid van het vrijgekomen sloopafval alsnog mocht blijken dat een sloopvergunning was vereist, deze had moeten verlenen nu zich geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening Valkenburg aan de Geul voordeed. Anders dan appellante betoogt heeft de rechtbank hiermee een juiste toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.3.    Tot slot heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de overige bepalingen waarop appellante een beroep doet niet een bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde verplichting bevatten als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb waar het ontmantelen van het parkeerterrein mee in strijd komt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers                                      w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

17-503.