Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605693/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2005 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo het bestemmingsplan "Zuidoevers Zuidlaardermeer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605693/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

1. het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

2. het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo het bestemmingsplan "Zuidoevers Zuidlaardermeer" vastgesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Drenthe heeft bij zijn besluit van 11 juli 2006, kenmerk RW/5.3/2006001630, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Het college van gedeputeerde staten van Groningen heeft bij besluit van 11 juli 2006, kenmerk 2006-11.878/28/A.26, LGW, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] bij brief van 2 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 11 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2006, beroep ingesteld.

Verweerders hebben geen verweerschriften ingediend.

De zaak is door de een meervoudig kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007, waar [appellant sub 2], in persoon, en het college van gedeputeerde staten van Drenthe, vertegenwoordigd door B.K. Hendriks, ambtenaar van de provincie Drenthe, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door F.J. Slieker en O. Strijker, ambtenaren van de gemeente. [appellant sub 1] en het college van gedeputeerde staten van Groningen zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellanten hebben geen zienswijzen tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Appellanten richten zich niet tegen bovenbedoelde wijzigingen en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe strekt niet tot onthouding van goedkeuring.

2.3.    Voor zover appellanten betogen dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn geweest om zienswijzen in te brengen omdat de aanduiding van het plangebied in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan onjuist dan wel onvolledig zou zijn geweest overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, kan bij de openbare kennisgeving voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud. Hieronder wordt blijkens de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003, zaaknummer 200206487/1, onder meer begrepen de aanduiding van het gebied waarop het plan betrekking heeft.

   In de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan staat dat het plangebied globaal wordt begrensd door de Plankensloot in Midlaren, de grens met de provincie Groningen, de Hunzeweg in De Groeve en de Groningerstraat in Zuidlaren. Naar het oordeel van de Afdeling is de aanduiding van het plangebied, mede gelet op de naam van het bestemmingsplan, in de kennisgeving voldoende duidelijk weergegeven, aangezien een groot deel van de gronden van de gemeente Tynaarlo aan de zuidoevers van het Zuidlaardermeer in het plan zijn opgenomen.    

2.4.    Voor het nalaten tijdig zienswijzen in te brengen, is geen rechtvaardiging gelegen in de door appellanten gestelde omstandigheid dat de Plankensloot als begrenzing van het plangebied in de kennisgeving is opgenomen. Het noemen van de Plankensloot als globale begrenzing van het plan is onjuist noch onbegrijpelijk, gelet op het feit dat een deel van de plangrens is gelegen op ongeveer 100 meter ten zuiden van de Plankensloot. Dat die grens aan de noordzijde op ongeveer 400 meter van die sloot is gelegen, doet aan het voorgaande niet af. Het had op de weg van appellanten gelegen om inlichtingen in te winnen omtrent de exacte begrenzing van het bestemmingsplan, te meer nu naast de Plankensloot ook de grens met de provincie Groningen en de Groningerstraat zijn genoemd in de globale begrenzing van het plan en deze globale grenzen deels betrekkelijk nabij de gronden van appellanten liggen. De gevolgen van het feit dat appellanten dit hebben nagelaten komen onder deze omstandigheden voor hun eigen risico.

2.5.    Voor zover de beroepen moeten worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 11 juli 2006 overweegt de Afdeling dat de beroepen, als gevolg van het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan, evenmin ontvankelijk zijn.  

2.6.     Gelet op het vorenstaande verklaart de Afdeling de beroepen

niet-ontvankelijk.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven                               w.g. Kegge

Lid van de enkelvoudige kamer                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

459