Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605872/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (hierna: het college) onder aanzegging van bestuursdwang appellante opgedragen om de zonder bouwvergunning geplaatste dakkapel van het pand [locatie] (hierna: het pand) te verwijderen en de oude toestand te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605872/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/398 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (hierna: het college) onder aanzegging van bestuursdwang appellante opgedragen om de zonder bouwvergunning geplaatste dakkapel van het pand [locatie] (hierna: het pand) te verwijderen en de oude toestand te herstellen.

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 6 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.M. van der Zwan, advocaat te 's-Gravenhage en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Meerman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het pand is een gemeentelijk monument dat deel uitmaakt van een beschermd stadsgezicht. Voor de oprichting van de dakkapel is ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist en ingevolge artikel 11 van de Monumentenwet een monumentenvergunning. Nu de dakkapel zonder de daarvoor vereiste bouw- en monumentenvergunning is opgericht was het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat er, het advies van de Welstandscommissie van 18 februari 2004 en het daarin verwoorde advies van de Monumentencommissie in aanmerking genomen, ten tijde van de beslissing op bezwaar, geen concreet zicht op legalisering was. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college deze adviezen niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Het standpunt van appellante dat het symmetrisch geheel van vijf panden, dat in het advies van de Welstandscommissie en de Monumentencommissie een belangrijke rol heeft gespeeld, inmiddels niet meer bestaat, omdat het pand dr. Kuijperstraat 17 een aantal jaren geleden is afgebrand, maakt dit niet anders, mede gelet op de verwachte herbouw van dit pand.

2.4.       Het betoog van appellante dat er inmiddels van rechtswege een monumentenvergunning zou zijn verleend zodat er thans, meer dan voorheen, zicht is op legalisering van de dakkapel leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit een ontwikkeling van na de beslissing op bezwaar betreft.

2.5.    De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

   Voor de stelling van appellante dat namens verweerder in het kader van een stillegging van de werkzaamheden op 21 mei 2002  is medegedeeld dat dit onterecht was, omdat de dakkapel reeds sedert 2000 op het pand aanwezig was bieden de stukken geen aanknopingspunten, nog daargelaten de vraag of een dergelijke mededeling de rechtens te honoreren verwachting heeft kunnen wekken dat niet handhavend tegen de dakkapel zal worden opgetreden.

2.6.        Voor zover appellante een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel door te verwijzen naar de toezeggingen die ter zitting  bij de rechtbank namens het college zouden zijn gedaan, kan dit evenmin slagen, aangezien in hoger beroep slechts ter beoordeling staat of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de beslissing op bezwaar van 14 december 2004 in stand kan blijven. De door appellante genoemde toezeggingen door het college hebben betrekking op de mogelijkheid om thans aanpassingen aan de dakkapel aan te brengen en kunnen derhalve geen rol hebben gespeeld bij de beslissing van 14 december 2004.

   Ook overigens is niet gebleken van ongeclausuleerde niet voor meerdere uitleg vatbare schriftelijke toezeggingen door het college die een beroep op het vertrouwensbeginsel zouden kunnen rechtvaardigen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk                                 w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

17-544.