Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605102/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2006:AX9112, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) onder aanzegging van bestuursdwang de sluiting bevolen van het door appellant aan de [locatie] te Groningen geëxploiteerde [horecabedrijf] met ingang van 29 oktober 2003, 11.00 uur tot 28 januari 2004, 11.00 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 139
Module Horeca 2007/2133

Uitspraak

200605102/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/1079 van de rechtbank Groningen van 1 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) onder aanzegging van bestuursdwang de sluiting bevolen van het door appellant aan de [locatie] te Groningen geëxploiteerde [horecabedrijf] met ingang van 29 oktober 2003, 11.00 uur tot 28 januari 2004, 11.00 uur.

Bij besluit van 8 september 2004 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit van 13 oktober 2003 verbeterd.

Bij uitspraak van 1 juni 2006, verzonden op 2 juni 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Groningen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bouma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

   Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Groningen (hierna: de APV), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk een sluitingsuur vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.

2.2.    De burgemeester heeft de sluiting van het horecabedrijf voor de duur van drie maanden bevolen omdat zich in het jaar 2003, na de schriftelijke waarschuwing van 2 juli 2003 naar aanleiding van eerdere incidenten, opnieuw diverse incidenten in en rond het horecabedrijf hebben voorgedaan. Op 7 september 2003 heeft de politie geconstateerd dat bezoekers in bezit waren van busjes traangas en een vlindermes. Voorts zijn gebruikershoeveelheden softdrugs aangetroffen, alsmede de restanten van een gebruikershoeveelheid cocaïne. Op 10 en 30 juli van dat jaar is geconstateerd dat zich in het horecabedrijf ruzies hebben voorgedaan en op 26 juli 2003 is eveneens ruzie geconstateerd in het horecabedrijf, welke op straat is voortgezet. In de beslissing op bezwaar is als uitgangspunt genomen de betrokkenheid van het horecabedrijf bij de incidenten.

2.3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat het gebruik door de burgemeester van zijn bevoegdheid van artikel 48, eerste lid, van de APV   hoofdzakelijk is gebaseerd op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na het op 19 mei 2003 aan appellant verlenen van een exploitatievergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gebeurtenissen van 10, 26 en 30 juli en 7 september 2003, gezien hun aard en de relatie tot het horecabedrijf, aanleiding konden vormen voor het treffen van de maatregel van tijdelijke sluiting. Voorts heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid aan het belang van de openbare orde, ter bescherming waarvan de bevoegdheid ingevolge artikel 48, eerste lid, van de APV is toegekend, meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellant bij het achterwege laten van het nemen van de maatregel.

2.4.    Appellant bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Hij stelt dat er weliswaar op 10 en 30 juli 2003 vechtpartijen hebben plaatsgevonden, maar dat de portiers van het horecabedrijf hier adequaat op hebben gereageerd door de ruziemakers buiten de deur te zetten. Voorts staat volgens appellant de vechtpartij die op 26 juli 2003 op de Grote Markt heeft plaatsgevonden in geen enkel verband met het horecabedrijf of een bezoeker daarvan. Ten slotte zijn bij een grondige controle van de politie op 7 september 2003 weliswaar busjes traangas en een vlindermes aangetroffen, maar deze zijn bij vrouwen aangetroffen, die niet door de portiers mogen worden gefouilleerd en de detectiepoortjes bij de ingang van het horecabedrijf reageren niet op een spuitbus.

   Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester te weinig gewicht heeft toegekend aan zijn belangen. Hij voert aan dat een tijdelijke sluiting van drie maanden voor hem neerkomt op een definitieve sluiting en dat hij fors in zijn inrichting heeft geïnvesteerd om een zo veilig mogelijke omgeving te creëren voor personeel en bezoekers. Hoewel de burgemeester hiervan op de hoogte was, heeft hij hiermee ten onrechte geen rekening gehouden, aldus appellant.

2.5.    Het betoog dat voormelde incidenten uit 2003 onvoldoende grond vormden voor de sluiting, faalt. Appellant bestrijdt niet dat er op 10 en 30 juli 2003 ruzies zijn ontstaan in het horecabedrijf. Voorts is niet in geschil dat bij een controle op 7 september 2003 busjes traangas en een vlindermes in het horecabedrijf zijn aangetroffen. Ook heeft de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de vermelding in een getuigenverklaring dat er in de nacht van 26 juli 2003 een opstootje is geweest in het horecabedrijf. Nu door deze incidenten de openbare orde is verstoord, deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat genoemde incidenten ten grondslag mochten worden gelegd aan de in bezwaar gehandhaafde aanzegging.

   De door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij forse investeringen heeft gedaan, dat hij maatregelen heeft genomen en dat het fouilleren van vrouwelijke bezoekers door zijn portiers niet mogelijk is, leiden niet tot een ander oordeel. Bij de beoordeling of zich situaties voordoen die tot tijdelijke sluiting van het horecabedrijf nopen, komt geen betekenis toe aan de mate waarin het ontstaan van die situaties de exploitant kan worden verweten.

   Het betoog dat de burgemeester bij zijn belangenafweging de financiële belangen van appellant niet voldoende heeft betrokken, faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 48, eerste lid, van de APV de burgemeester een discretionaire bevoegdheid verleent. Het op basis van deze bevoegdheid genomen besluit van 8 september 2004 moet derhalve terughoudend worden getoetst. De burgemeester heeft de financiële belangen van appellant wel betrokken in zijn afweging, maar hij heeft, gelet op de ernst van de verstoringen van de openbare orde die zich in en rond de inrichting van appellant hebben voorgedaan, in redelijkheid de algemene belangen van openbare orde en veiligheid zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van appellant.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de vraag buiten beschouwing heeft gelaten of de tijdelijke sluiting achteraf bezien effectief is geweest. Tevens heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat hij niet tijdig heeft aangevoerd voorkeur te hebben gehad voor een tijdelijke vervroeging van het sluitingsuur van zijn horecabedrijf.

2.7.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat slechts ter toets staat of de burgemeester op grond van de gegevens die hem ten tijde van de aanzegging ter beschikking stonden in redelijkheid tot die aanzegging heeft kunnen overgaan en dat besluit in bezwaar in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

   Het betoog dat appellant beperking van het aantal openingsuren had gewild, vindt geen steun in het verslag van de hoorzitting van 4 december 2004 (lees: 18 december 2003). Hierin staat, integendeel,  vermeld dat de gemachtigde van appellant desgevraagd heeft aangegeven dat een beperking van het aantal openingsuren conform artikel 48 van de APV geen optie is. De juistheid van het verslag is niet betwist. Dit betoog faalt derhalve.    

2.8.    Appellant stelt tevens dat de problemen die zich voordoen in het horecabedrijf, niet los gezien kunnen worden van hetgeen plaatsvindt in andere aan de Grote Markt gelegen horecabedrijven. Tegen andere horecabedrijven, zoals de "Troubadour" en "De Unie", zijn volgens appellant geen stappen ondernomen. Aldus heeft de burgemeester gehandeld in strijd met het verbod van willekeur.

2.9.    Appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ter zitting is namens de burgemeester verklaard dat hem ten tijde van het besluit op bezwaar geen klachten over "De Unie" bekend waren en dat later, toen hem wel klachten bekend waren geworden, aan "De Unie" een sluiting voor de duur van een jaar is opgelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de burgemeester niet of in mindere mate handhavend optreedt tegen andere horeca-inrichtingen dan de onderhavige.

2.10.    Ten slotte betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan de vraag of de onderhavige sluiting evenredig is aan de ernst van de daaraan ten grondslag gelegde incidenten.

2.11.    De Afdeling, is anders dan de rechtbank, van oordeel dat de vraag naar evenredigheid van de duur van de sluiting binnen de grenzen van het geschil ligt. Blijkens de pleitnota heeft appellant ter hoorzitting de duur van de sluiting aan de orde gesteld en daarbij vermeld dat de maatregel voor hem tot aanzienlijke schade heeft geleid, terwijl een veel minder ingrijpende wijze van optreden mogelijk was geweest door nadere eisen aan de exploitatievergunning te verbinden. In zijn beroepschrift heeft appellant de rechtbank verzocht deze pleitnota als herhaald en ingelast te beschouwen.

   Namens de burgemeester is ter zitting verklaard dat de burgemeester heeft gekozen voor een relatief lichte maatregel; herhaaldelijk worden inrichtingen gesloten langer dan drie maanden.

   De Afdeling is, gelet op de aard en de ernst van hetgeen aan de tijdelijke sluiting ten grondslag is gelegd en op het daarmee beoogde doel - het voorkomen van verstoring van de openbare orde - van oordeel dat deze sluiting van drie maanden niet onevenredig is met de daarmee gediende belangen.

2.12.    De Afdeling is, gelet op het vorenstaande, met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid het besluit van 8 september 2004 heeft kunnen nemen.

2.13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met aanvulling van gronden te worden bevestigd.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                                      w.g. Klein

Voorzitter                                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

176-497.