Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200605899/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft verweerder de directie van appellante onder oplegging van een dwangsom gelast met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bezien in samenhang met artikel 26, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/33 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200605899/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "CVB EcoLogistics B.V.", gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft verweerder de directie van appellante onder oplegging van een dwangsom gelast met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bezien in samenhang met artikel 26, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), te voorkomen.

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Dit besluit is door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 19 april 2006 in zaak no. 200506762/1.

Bij besluit van 6 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij is de opgelegde last onder dwangsom gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 september 2006.

Bij brief van 2 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en door drs. H.M. Kleiweg de Zwaan, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, mr. C.W. Poorta en L.C.L. Dielissen, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De last onder dwangsom, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, strekt ertoe dat appellante zich dient te onthouden van (het voornemen tot) de overbrenging van kunststofafvalstoffen - behoudens kunststofafval uitsluitend bestaande uit polyethyleentereftalaat - of daarmee samengestelde afvalstoffen naar India zonder daartoe strekkende kennisgeving op grond van artikel 15 van de Verordening. De dwangsom is vastgesteld op € 10.000,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 100.000,00.

2.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu de grond dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot de waarde van de betrokken afvalstoffen niet eerder is aangevoerd, het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

   Uit de stukken blijkt dat appellante ook in bezwaar heeft geklaagd over de hoogte van de dwangsom. Reeds hierom kan het standpunt van verweerder niet worden gevolgd.

2.3.    Ingevolge artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening.

   Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt als sluikhandel beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die geschiedt zonder kennisgeving aan, of toestemming van, alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.

2.4.    Aan het onderhavige dwangsombesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante op 20 september 2004 doende was om, zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken over te brengen naar India.

2.5.    Niet in geschil is dat de papieren zakken met kunststof binnenzakken bestemd waren voor nuttige toepassing in India.

2.6.    Appellante betwist dat van de overbrenging op 20 september 2004 een kennisgeving gedaan had moeten worden. In dat verband voert zij onder meer aan dat de papieren zakken met kunststof binnenzakken moeten worden aangemerkt als papierafval als bedoeld in categorie GI van bijlage II van de Verordening (hierna: de groene lijst), zodat deze zonder kennisgeving naar India konden worden uitgevoerd. De aanwezigheid van de kunststof binnenzakken brengt naar het oordeel van appellante niet mee dat de betrokken afvalstoffen het karakter van papierafval verliezen.

2.7.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de papieren zakken met kunststof binnenzakken niet als papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst kunnen worden aangemerkt. Volgens verweerder kunnen de kunststof binnenzakken niet als een inherente verontreiniging van het papierafval worden beschouwd, nu de binnenzakken blijkens onderzoek van het RIVM circa 30% van de totale afvalstof uitmaken en voorts eenvoudig uit de papieren zakken te verwijderen zijn. Naar het oordeel van verweerder gaat het dan ook om een combinatie van op de groene lijst opgenomen papier- en kunststofafvalstoffen, welke combinatie als zodanig niet op die lijst wordt genoemd. Uit de Verordening (EG) nr. 1547/1999 van de Commissie van 12 juli 1999, bezien in samenhang met artikel 17, eerste lid, van de Verordening, volgt volgens verweerder dat voor de overbrenging naar India van de kunststofcomponent van deze afvalstoffen de controleprocedure van bijlage IV van de Verordening dient te worden toegepast, zodat appellante van de overbrenging kennisgeving had moeten doen aan de bevoegde autoriteiten.

2.8.    In het midden kan blijven of het door verweerder genoemde percentage van 30% representatief is en of de papieren zakken en de kunststof binnenzakken, zoals verweerder stelt, eenvoudig van elkaar te scheiden zijn. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat andere afvalstoffen met een vergelijkbare verhouding tussen de papier- en kunststofcomponent, zoals melkpakken, alsmede andere afvalstoffen waarbij de papier- en kunststofcomponent eenvoudig te scheiden zijn, zoals drukwerk voorzien van kunststof verpakkingsmateriaal, door verweerder wél worden aanmerkt als (verontreinigd) papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst en de overbrenging van die afvalstoffen naar India ten behoeve van nuttige toepassing zonder een kennisgeving wordt toegestaan. Niet gebleken is dat hiertegen van de zijde van India bezwaar is gemaakt. Gelet op het vorenstaande, valt niet in te zien waarom de thans in geding zijnde papieren zakken met kunststof binnenzakken niet evenzeer kunnen worden aangemerkt als (verontreinigd) papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst, waarvoor in de Verordening (EG) nr. 1547/1999 van de Commissie van 12 juli 1999 voor de overbrenging naar India geen controleprocedure is voorgeschreven. Naar het oordeel van de Afdeling dient het er dan ook voor te worden gehouden dat voor de overbrenging op 20 september 2004 geen kennisgeving was vereist, zodat verweerder niet op grond van die overbrenging bevoegd was tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom.

2.9.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeft het beroep geen verdere bespreking. Gelet op het voorgaande, kan de beslissing op het bezwaar slechts strekken tot herroeping van het primaire besluit. De Afdeling zal daarom op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Aangezien appellante tevens heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten van de bezwaarfase, worden deze kosten hierbij, nu het primaire besluit wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, in aanmerking genomen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juli 2006, kenmerk 2006284849/OHO/JUM;

III.    herroept het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 maart 2005, kenmerk 2005024489/ODH/JUM;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,10 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en tien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd        w.g. Van Hardeveld

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

312-462.