Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200607363/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 februari 2006, het bestemmingsplan "Kasteeltuin van Poortugaal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/3663

Uitspraak

200607363/1.

Datum uitspraak: 4 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Albrandswaard,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 februari 2006, het bestemmingsplan "Kasteeltuin van Poortugaal" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 augustus 2006, no. DRM/ARW/06/2303A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 januari 2007 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het uitbrengen van een verweerschrift.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van de gemeenteraad van Albrandswaard. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2007, waar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Albrandswaard, vertegenwoordigd door mr. D.H. van de Rijdt, ambtenaar van de gemeente, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellante

2.2.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten noordoosten van de woning van appellante aan de [locatie] te [plaats] (hierna het plandeel).

   Zij betoogt, kort samengevat dat de inspraakprocedure niet in overeenstemming met de gemeentelijke inspraakverordening is verlopen.

Voorts is de toezegging dat een afstand van 35 meter tussen haar woning en de in het plan voorziene woningen zal worden aangehouden, ten onrechte niet nagekomen, aldus appellante. Het plandeel brengt volgens appellante een aantasting van haar woon- en leefklimaat met zich.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

   Hij stelt zich op het standpunt dat op de juiste wijze inspraak over het voorontwerp heeft plaatsgevonden. Voorts is hem van een rechtens afdwingbare toezegging van de zijde van het gemeentebestuur niet gebleken en doet zich geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellante voor.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften en de aanduidingen op de plankaart kunnen op het plandeel aaneengesloten woningen worden gebouwd met een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 12 meter.

   De afstand van het bouwvlak tot aan de gevel van de woning van appellante bedraagt 22 meter, en tot aan haar garage 18 meter. Binnen deze afstand ligt de reeds bestaande openbare weg en een strook van 6 meter breed, bestemd als tuin.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Wat betreft de bezwaren van appellante die verband houden met de inspraakprocedure met betrekking tot het voorontwerpbestemmingsplan, overweegt de Afdeling als volgt.

   De gemeenteraad van Albrandswaard heeft bij besluit van 24 juni 1996 een inspraakverordening vastgesteld, waarin regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan worden betrokken. In deze verordening is een regeling getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening. Niet gebleken is dat appellante van deze regeling ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik heeft gemaakt.

   Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van appellante ter zake van de inspraak verder in te gaan.

2.6.    Voor zover het beroep aldus moet worden begrepen dat bij de vaststelling van het plan de gemeenteraad enkel de projectontwikkelaar heeft gevolgd en geen eigen afweging heeft gemaakt, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat de weerlegging van de zienswijzen onvoldoende is gemotiveerd. Dat de gemeenteraad de zienswijze van appellante niet heeft gehonoreerd, betekent niet dat hij niet alle betrokken belangen bij zijn beslissing heeft afgewogen.

2.7.    Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een afstand van 35 meter tussen haar woning en de in het plandeel voorziene woningen zou voorzien. Uit de in dit verband door appellante genoemde brief van 7 juni 2004 van het college van burgemeester en wethouders aan het Bewonersinitiatief Vlier, Vogelkers en Watering is een dergelijke toezegging, wat daar van zij, niet af te leiden.

De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plandeel te onthouden.

2.8.    In aanmerking genomen dat appellante thans uitkijkt over sportvelden en groenvoorzieningen, kan niet worden ontkend dat het karakter van de omgeving ten gevolge van de voorziene woningbouw verandert. De woningen op het plandeel zullen echter op een afstand van 22 meter van de voorgevel van de woning van appellante worden gebouwd. Voorts is van belang dat wat betreft zowel de afstand als de bebouwingsmogelijkheden op het plandeel is aangesloten op de stedenbouwkundige structuur van de omgeving. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het woon- en leefklimaat van appellante beperkt is. Hierbij heeft hij in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het plandeel onderdeel uitmaakt van een inbreidingslocatie in de kern van Poortugaal.

2.9.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra      w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007

357-547.