Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
200608272/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 8:69 Awb / getoest aan verkeerde beleid

Na haar, in hoger beroep niet bestreden, overweging dat samengevat weergegeven de vreemdeling niet aan de vereisten van artikel 3.51 van het Vb 2000 voldoet en dat artikel geen afwijkingsmogelijkheid biedt, kon de rechtbank nog slechts de vraag beantwoorden of de minister voormelde aanvraag ten onrechte niet met toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000 heeft ingewilligd. Voor zover de rechtbank deze vraag aan de hand van het door de minister gevoerde en in paragraaf B2/5.3.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid heeft beantwoord, heeft zij miskend dat deze paragraaf, zoals ook uit het opschrift van onderdeel B2/5 van de Vc 2000 blijkt, uitsluitend op aanvragen van huwelijkspartners, geregistreerde partners en partners betrekking heeft. Het beleid dat de minister bij de toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000 met het oog op alleenstaande minderjarige vreemdelingen voert is in paragraaf C2/7.7.3 van de Vc 2000 neergelegd. Uit het in bezwaar gehandhaafde besluit komt ook naar voren dat de minister voormelde aanvraag mede met gebruikmaking van onderdeel C2/7 van de Vc 2000 heeft afgewezen. Met de aangevallen overweging heeft de rechtbank het bij haar bestreden besluit dan ook, in strijd met artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb, aan de hand van paragraaf B2/5.3.3 getoetst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vreemdelingenbesluit 2000 3.52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608272/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/18947 van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 oktober 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en verlenging van de geldigheidsduur daarvan afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 oktober 2006, verzonden op 17 oktober 2005 (lees: 2006), heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 november 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voor zover thans van belang wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de beperkingen regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) voor zover thans van belang houden de in voormeld artikel bedoelde beperkingen verband met onder meer voortgezet verblijf.

Ingevolge artikel 3.52 voor zover thans van belang kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, in andere gevallen dan genoemd in artikel 3.51, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.

2.2.In de enige grief klaagt de minister samengevat weergegeven en voor zover thans van belang dat de rechtbank, door te overwegen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in paragraaf B2/5.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) op grond waarvan voortgezet verblijf kan worden toegestaan, heeft miskend dat voormelde paragraaf op voortgezet verblijf van voormalige huwelijkspartners en geregistreerde partners en dus niet op gevallen als die van de vreemdeling ziet. Volgens de minister is het op de vreemdeling betrekking hebbende beleid in paragraaf C2/7.7.3 van de Vc 2000 neergelegd.

2.2.1. Bij besluit van 6 mei 2002 is aan de vreemdeling met ingang van 25 maart 2001 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ verleend, waarvan de geldigheidsduur nadien is verlengd tot 10 februari 2004. De aanvraag, die bij het in bezwaar gehandhaafde besluit is afgewezen, strekt tot wijziging van de beperking en verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning.

2.2.2. Na haar, in hoger beroep niet bestreden, overweging dat samengevat weergegeven de vreemdeling niet aan de vereisten van artikel 3.51 van het Vb 2000 voldoet en dat artikel geen afwijkingsmogelijkheid biedt, kon de rechtbank nog slechts de vraag beantwoorden of de minister voormelde aanvraag ten onrechte niet met toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000 heeft ingewilligd. Voor zover de rechtbank deze vraag aan de hand van het door de minister gevoerde en in paragraaf B2/5.3.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid heeft beantwoord, heeft zij miskend dat deze paragraaf, zoals ook uit het opschrift van onderdeel B2/5 van de Vc 2000 blijkt, uitsluitend op aanvragen van huwelijkspartners, geregistreerde partners en partners betrekking heeft. Het beleid dat de minister bij de toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000 met het oog op alleenstaande minderjarige vreemdelingen voert is in paragraaf C2/7.7.3 van de Vc 2000 neergelegd. Uit het in bezwaar gehandhaafde besluit komt ook naar voren dat de minister voormelde aanvraag mede met gebruikmaking van onderdeel C2/7 van de Vc 2000 heeft afgewezen. Met de aangevallen overweging heeft de rechtbank het bij haar bestreden besluit dan ook, in strijd met artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb, aan de hand van paragraaf B2/5.3.3 getoetst.

2.2.3. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

2.3.1. Volgens paragraaf C2/7.7.3 van de Vc 2000 kunnen bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 van het Vb 2000 worden aangenomen, indien:

a. de vreemdeling tot zijn meerderjarigheid in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’; en

b. hij drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning; en

c. hij gedurende zijn verblijf in Nederland steeds voldeed aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning op grond van het bijzonder beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen.

2.3.2. Nu de vreemdeling uitsluitend en niet gedurende drie jaar in het bezit van de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven verblijfsvergunning is geweest, heeft de minister zich in het in beroep bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat zij niet aan de vereisten voor toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000, zoals die blijkens paragraaf C2/7.7.3 van de Vc 2000 worden gesteld, voldoet.

2.3.3. In voormelde paragraaf is toegelicht dat het beleid ter invulling van dat artikel, voor zover het voormalige alleenstaande minderjarige vreemdelingen betreft, juist wordt gevoerd met het oog op hen van wie de verblijfsvergunning asiel is ingetrokken, dan wel niet is verlengd, en aan wie vervolgens een verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen is verleend. Mede in aanmerking genomen dat de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen bij voormeld in rechte onaantastbaar besluit van 6 mei 2002 is afgewezen, kunnen de door haar aangevoerde omstandigheden, te weten de mate van inburgering, haar christen zijn en het gestelde risico van onvrijwillige besnijdenis in het land van herkomst, niet worden aangemerkt als omstandigheden die niet geacht kunnen worden bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die tot afwijking van dat beleid zouden kunnen nopen.

2.3.4. In aanmerking genomen voorts dat de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden door haar in uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen zijn verworpen, tegen de aldus gegeven oordelen in hoger beroep niet is opgekomen en deze van hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld losstaan, zal het inleidende beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 oktober 2006 in zaak no. AWB 06/18947;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter w.g. Schuurman

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007

282

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak