Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
200609124/2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet op voorhand is aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, komt het verzoek op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/211 met annotatie van TS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609124/2.

Datum uitspraak: 20 februari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker,

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/57787 en 06/57789 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 december 2006 in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 12 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, voor zover thans van belang, het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 december 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 februari 2007, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat verzoeker wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.

2.2. Niet op voorhand is aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, komt het verzoek op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.

2.3. De Voorzitter acht termen aanwezig om de Minister van Justitie op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;

II. veroordeelt de Minister van Justitie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers

Voorzitter w.g. Prins

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2007

363

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak