Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1704

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200605334/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel het wijzigingsplan "Gytsjerkerhoeke 47a te Gytsjerk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605334/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel het wijzigingsplan "Gytsjerkerhoeke 47a te Gytsjerk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 mei 2006, kenmerk. 641363, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

[partij] is in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel en [appellanten]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007. Appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn ter zitting verschenen. Daarnaast zijn daar als partij gehoord, het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, vertegenwoordigd door P. Kingma, en [partij], vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra. Verweerder is niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.2.    Appellanten, wonende in de directe omgeving van het plangebied, stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Volgens appellanten had, gelet op de ouderdom van het bestemmingsplan en omdat de wijzigingsbevoegdheid een exceptie is en de oorspronkelijke reden voor het opnemen van de bevoegdheid is vervallen, niet tot wijziging van het plan mogen worden overgegaan. Appellant stelt verder dat het besluit niet is gemotiveerd, dat verweerder voorbij is gegaan aan de uitgangspunten uit het Startdocument Streekplan 2005-2015 en dat bestaande landschappelijke waardevolle elementen worden aangetast.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hierbij wordt verwezen naar een door de Werkgroep Gemeentelijke Plannen van de Provinciale Planologische Commissie (PPC) uitgebracht advies. Verder wordt in het besluit gesteld dat wordt ingestemd met de weerlegging van de ingediende zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1    Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel Gytsjerkerhoeke 47a te Giekerk. In het bestemmingsplan "Bebouwingsconcentraties Buitengebied (Trynwalden)" (hierna: het bestemmingsplan), is het perceel bestemd als "Agrarisch gebied met een beperkte ecologische waarde", met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid van toepassing overeenkomstig het gestelde in artikel 30, lid A, sub 3".

In artikel 30 lid A, sub 3, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan is onder meer bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO de bestemming "Agrarisch gebied met beperkte ecologische waarde" te wijzigen in de bestemming "Woonhuizen klasse C", mits deze wijziging uitsluitend betrekking heeft op gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid van toepassing overeenkomstig het gestelde in artikel 30 lid A, sub 3". Er mag volgens hetzelfde artikel per afzonderlijk op de kaart aangeduid gebied slechts één woonhuis gerealiseerd worden, dat vrijstaand gebouwd wordt. De goot- of boeiboordhoogte is ten minste twee meter en niet meer dan drieënhalve meter. De woonhuizen moeten zijn voorzien van een kap, met een helling van ten minste 300 en ten hoogste 600. Er mogen per woonhuis ten behoeve van de daarin gevestigde functies ten hoogste drie bijgebouwen worden gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen ten hoogste 162 m2 zal bedragen. De goot- of boeiboordhoogte van de bijgebouwen zal ten hoogste 3 meter bedragen.

Ook schrijft artikel 30 lid A, sub 3, van de planvoorschriften voor dat de gebouwen zodanig gesitueerd dienen te worden dat hiermee wordt bijgedragen aan de stedenbouwkundige afgeronde eenheid, zoals omschreven in hoofdstuk 3.B. van de toelichting.

Het vastgestelde wijzigingsplan voorziet in de toekenning van de bestemming "Woonhuizen klasse C", zodat de bouw van één woning mogelijk is.

2.4.2.    Hoofdstuk 3.B. van de toelichting bij het bestemmingsplan beschrijft het wegdorp-karakter van de bebouwing in de Trynwâlden, en spreekt daarbij ondermeer van een langgerekt patroon van lintbebouwing aan weerszijden van de weg, waarbij er een afwisseling optreedt tussen individuele bebouwing (boerderijen), groepjes kleinere panden en open ruimten.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat verweerder voor de motivering van het besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan aansluit bij de weerlegging van de zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders of bij een advies van een subcommissie van de PPC. Dat verweerder in zijn besluit vrijwel uitsluitend verwijst naar deze stukken, is derhalve op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd, nu hij daarmee de in deze stukken gegeven motivering tot de zijne heeft gemaakt. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.5.1.    Dat verweerder, zoals appellant stelt, voorbij gaat aan uitgangspunten voor toetsing zoals vervat in het Startdocument Streekplan 2005-2015 kan, wat daarvan ook zij, niet aan goedkeuring in de weg staan omdat dit slechts een startdocument betreft en derhalve nog geen nieuw streekplan in werking is getreden.

2.5.2.    Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat geen gebruik meer kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid nu het bestemmingsplan meer dan tien jaar oud is. Het niet voldoen aan de uit artikel 33, eerste lid, van de WRO voortvloeiende verplichting om bestemmingsplannen ten minste één maal in de tien jaren te herzien, doet op zichzelf niet af aan de rechtskracht van een geldend bestemmingsplan en een daarin opgenomen bevoegdheid tot wijziging over te gaan. Dat de oorspronkelijke reden voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid voor dit perceel inmiddels zou zijn vervallen, wat daar van ook zij, brengt evenmin met zich dat van de bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan geen gebruik meer gemaakt zou mogen worden. De wijzigingsbevoegdheid heeft een algemene strekking en daarin is in dit geval geen voorwaarde opgenomen die inhoudt dat slechts onder de desbetreffende omstandigheid tot wijziging mag worden overgegaan. Verweerder heeft zich in dit verband tevens op het standpunt kunnen stellen dat aan de plantoelichting geen bindende werking toekomt.

Omtrent de stelling van appellanten dat de wijzigingsbevoegdheid een exceptie is, waarvan pas gebruik gemaakt mag worden als geen andere belangen daaraan in de weg staan overweegt de Afdeling dat met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. Bij deze toets kan de ouderdom van de wijzigingsbevoegdheid een rol spelen. Naarmate het bestemmingsplan met daarin de wijzigingsbevoegdheid ouder kan aanleiding bestaan voor een meer intensieve afweging.

Het standpunt van verweerder, dat verwezenlijking van één woning bij de ter plaatse reeds aanwezige bebouwing slechts een beperkte invloed heeft op de openheid en doorkijkmogelijkheden in het landschap, acht de Afdeling niet onjuist. Voorts heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de in het bestemmingsplan en in het wijzigingsplan opgenomen voorwaarden voldoende waarborgen bieden om bij te kunnen dragen aan een stedenbouwkundig afgeronde eenheid. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het bebouwen van het perceel Gytsjerkerhoeke 47a leidt tot onevenredige aantasting van de waardevolle landelijkheid en openheid. Daarnaast hebben appellanten geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat belangen zodanig worden aangetast dat dit in redelijkheid in de weg zou behoren te staan aan wijziging van het plan.

2.5.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan.

Het beroep is ongegrond.

2.5.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                                      w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

317-547.