Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200604404/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan de "Stichting Sociale Huisvesting Wageningen" (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woon-winkelgebouw op het perceel Vijzelstraat 8/Burgtstraat 2-6, te Wageningen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604404/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het beroep (artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

[wederpartij].

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan de "Stichting Sociale Huisvesting Wageningen" (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woon-winkelgebouw op het perceel Vijzelstraat 8/Burgtstraat 2-6, te Wageningen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 december 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 13 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2006 heeft [wederpartij] een reactie ingediend op het hoger beroep van het college.

Bij besluit van 27 juli 2006, verzonden op 31 juli 2006, heeft het college het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 21 april 2005 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 september 2006, bij de rechtbank ingekomen op 8 september 2006, heeft [wederpartij] tegen het besluit van 27 juli 2006 beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ter afdoening doorgezonden naar de Afdeling.

Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het college de bij besluit van 21 april 2005 verleende bouwvergunning ingetrokken.

Bij brief van 20 oktober 2006 heeft het college het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 9 november 2006 heeft [wederpartij] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 29 november 2006 heeft het college van antwoord gediend inzake het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2007, waar [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. P. de Groot, gemachtigde en het college, vertegenwoordigd door C.A. Murray, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. D.R. Sonneveldt, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college opnieuw beslist op het door [wederpartij] tegen het besluit van 21 april 2005 gemaakte bezwaar en de bouwvergunning gehandhaafd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht onderwerp te zijn van dit geding.

2.2.    Zoals de Voorzitter van de Afdeling partijen bij brief van 30 oktober 2006 heeft medegedeeld, zal, nu het hoger beroep van het college is ingetrokken, alleen nog uitspraak worden gedaan op het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 27 juli 2006.

2.3.    [wederpartij] betoogt dat hij nog procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het besluit van 27 juli 2006, waarbij de inmiddels ingetrokken bouwvergunning was gehandhaafd, in verband met gemaakte proceskosten en geleden schade.

2.3.1.    De door [wederpartij] gestelde schade betreft omzetderving als gevolg van de door hem aan de procedure(s) bestede uren, gederfde levensvreugde en de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder die eigenares was van het pand waarin hij zijn bedrijf […] voert. Eerstgenoemde schadepost betreft verletkosten voor het voeren van procedure(s) en dient derhalve als proceskosten te worden aangemerkt. Hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd met betrekking tot de overigens door hem gestelde schadeposten is zowel naar aard als oorzaak dermate algemeen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat [wederpartij] aldus tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het besluit van 27 juli 2006 voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden. Van een daaraan te ontlenen procesbelang bij het beroep tegen dat besluit, is derhalve geen sprake.

2.3.2.    Voor zover [wederpartij] bij de door hem gemaakte proceskosten doelt op proceskosten die verband houden met de behandeling van het door hem bij de rechtbank ingestelde beroep faalt zijn betoog reeds omdat bij de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2006 over de vergoeding van die kosten is beslist. Met betrekking tot de proceskosten die [wederpartij] heeft gemaakt in verband zijn beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 18 september 2002 in zaak no. 200102917/1 (AB 2003, 41), vormt de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Awb stelt niet de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan gelegen zijn in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen, in welk geval, ook indien het beroep is ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk is.

   In de onderhavige zaak is het procesbelang hangende het hoger beroep vervallen, omdat de bouwvergunning op verzoek van de rechtsopvolger van vergunninghoudster is ingetrokken, zonder dat van die vergunning gebruik is gemaakt. Van een tegemoetkomen door het college aan de bezwaren van [wederpartij] is geen sprake. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gestelde proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een veroordeling van het college in de proceskosten bestaat dan ook geen grond.

   Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                              w.g. Boermans

Voorzitter                                      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

429-476.