Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200605210/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en vergunning te verlenen voor het bouwen van een woning aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605210/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/54 van de rechtbank Groningen van 16 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en vergunning te verlenen voor het bouwen van een woning aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 2 december 2004 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 19 oktober 2006 heeft appellant een nadere reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.C. Dijkstra, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De aanvraag heeft betrekking op het oprichten van een woning bij het schildersbedrijf van appellant, voorzien op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Grijpskerk, Bedrijventerrein De Rietlanden III" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B2" hebben. Het college heeft ter zitting bevestigd dat sprake is van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de planvoorschriften.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn, voor zover thans van belang, de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden B2" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven genoemd in de categorieën 1, 2 en 3 van de "Staat van Bedrijven".

   Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften zijn er ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gebouwen geen bedrijfswoningen toegestaan.

   Ingevolge artikel 3, vijfde lid, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder a, aanhef en onder 6, voor het bouwen van een bedrijfswoning mits, voor zover thans van belang, de aanwezigheid van de bedrijfswoning de bedrijven in het plangebied niet beperkt in de vestigingsmogelijkheden.

   Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd een vrijstelling als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften te verlenen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder de in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften genoemde voorwaarde om bedrijven in het plangebied niet te beperken in hun vestigingsmogelijkheden tevens heeft begrepen dat deze bedrijven niet mogen worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden.

2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. In artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften is sprake van "de bedrijven in het plangebied". Dit kan niet anders worden uitgelegd dan dat hiermee worden bedoeld bedrijven, die reeds in het plangebied zijn gevestigd. Onder de vestigingsmogelijkheden die volgens deze bepaling door de aanwezigheid van bedrijfswoningen niet mogen worden beperkt, moet tevens worden begrepen de mogelijkheid om blijvend gevestigd te zijn op het bedrijventerrein al dan niet door uitbreiding van het bedrijf. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat bedoelde voorwaarde tevens ziet op uitbreiding van bestaande bedrijven.

2.3.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afstandsnormen die zijn opgenomen in de "Staat van bedrijven" geen betrekking hebben op bedrijfswoningen op het industrieterrein. Hij wijst ter onderbouwing van dit betoog naar de plantoelichting.

2.3.1.    Dit betoog slaagt. In de "Staat van bedrijven" zijn soorten bedrijven per indelingscode gerangschikt en wordt per indelingscode onder meer een categorie en een afstand vermeld. Blijkens de beslissing op bezwaar behoren de omliggende bedrijven in het plangebied tot categorie 3, waarbij als afstand wordt vermeld 50 m. In de "Staat van bedrijven" wordt niet vermeld wat de betekenis is van deze afstand. Dit blijkt evenmin uit de tekst van de planvoorschriften.

   Indien de tekst van een planvoorschrift niet zonder meer duidelijk is, kan in bepaalde gevallen de toelichting op een bestemmingsplan verheldering bieden. In dit geval wordt in de toelichting op het bestemmingsplan in paragraaf 6.2 "Planuitgangspunten" vermeld dat alleen aan in de categorieën 1, 2 en 3 van de "Staat van bedrijven" genoemde bedrijven ruimte kan worden geboden op bedrijventerrein De Rietlanden en wel met het oog op de nabijheid van woongebieden. Voorts wordt in paragraaf 5.2 "Bedrijfswoningen" vermeld dat ten aanzien van de mate van milieuhinder wordt aangesloten voor de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" en dat een bepaalde minimale afstand tot de woonbebouwing geldt. Verder wordt in deze paragraaf vermeld dat voor bedrijven uit categorie 3 de grootste minimale afstand van 100 m geldt met als uitgangspunt een woning in een rustige woonwijk. Genoemde passages uit de toelichting op het bestemmingsplan geven grond voor het oordeel dat de in de "Staat van bedrijven" vermelde afstand betrekking heeft op de minimale afstand tussen een bedrijf en een woonwijk en niet op die tussen een bedrijf en een bedrijfswoning op hetzelfde bedrijventerrein.

   Nu in artikel 5 van de planvoorschriften geen sprake is van een minimaal vereiste afstand tussen een bedrijfswoning en een bedrijf heeft het college in de beslissing op bezwaar van 22 juni 2004 op onjuiste gronden beslist onder verwijzing naar de in de "Staat van bedrijven" vermelde afstand dat de aanwezigheid van de bedrijfswoning de bedrijven in het plangebied beperkt in de vestigingsmogelijkheden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 juni 2004 van het college alsnog gegrond verklaren. De beslissing op bezwaar van 2 december 2004 dient eveneens te worden vernietigd.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juni 2006 in zaak no. AWB 05/54;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn van 2 december 2004, kenmerk ROB/1732/0402211;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zuidhorn aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Zuidhorn aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 347,00 (zegge: driehonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                                    w.g. Lodder

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

17-488.