Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200601014/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 april 2005 en 25 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 26 april 2005 en 25 oktober 2005, het bestemmingsplan "Kanaalzone" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601014/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 26 april 2005 en 25 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 26 april 2005 en 25 oktober 2005, het bestemmingsplan "Kanaalzone" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 december 2005, kenmerk 1101848, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 17 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2006, appellanten sub 2 bij brief van 19 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 21 februari 2006, en appellanten sub 3 bij brief van 21 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 april 2006.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot en [appellanten sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2007, waar

[appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellanten sub 3], in persoon en bijgestaan door mr. J.A. Wols, en verweerder, vertegenwoordigd door A.J.J.M. Danen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Oirschot, vertegenwoordigd door M.P.C. Verkooijen, ambtenaar van de gemeente, en ir. C.M.G. Ammerlaan, als projectleider tijdelijk werkzaam bij de gemeente. [appellant sub 1] is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    [appellant sub 2] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan ingebracht bij de gemeenteraad.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Voor zover het beroep van [appellant sub 2] zich richt tegen de mogelijkheden die het plan biedt om appartementencomplexen te bouwen, betreft het niet de wijzigingen die de gemeenteraad op deze punten ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht. Geen van de overige omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellanten sub 2] is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dat is ingediend door [appellant sub 2].

2.3.    [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" ten zuidoosten van de woonwijk 'De Drossaard' (hierna: de woonwijk). In dat verband verzetten zij zich tegen de mogelijkheid om aldaar enkele parkeerplaatsen te realiseren. Deze beroepsgrond steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellanten sub 2a], voor zover dat is ingediend door [appellanten sub 2b] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedureel aspect

2.5.    [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] stellen dat onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden over het plan.

Verweerder heeft aangegeven dat de wettelijke procedure voor de vaststelling van het plan is gevolgd, inclusief de daarbij behorende inspraakprocedure.

   Ter zitting hebben [appellanten sub 2] nader toegelicht dat op dit punt weliswaar de wettelijk te volgen procedure in acht is genomen, maar dat zij ook in de fase voorafgaand aan de inspraakprocedure bij het overleg betrokken hadden willen worden. Ook [appellanten sub 3] hebben niet gesteld dat bij de vaststelling van het plan de voor de inspraak geldende wettelijke procedure niet is gevolgd.

   Gelet op het feit dat niet is gebleken dat wat betreft de inspraakprocedure in afwijking van de daarvoor geldende wettelijke regels is gehandeld en dat tot overleg daaraan voorafgaande wettelijk of rechtens geen verplichting bestaat voor het gemeentebestuur, treffen de bezwaren van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] ter zake van het overleg geen doel.

Standpunt van appellanten

2.6.    Alle appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Recreatieve groenzone (RG)" en de nadere aanduiding 'appartementencomplex'. Zij menen dat de situering van de appartementencomplexen onduidelijk is. Daarnaast achten zij de toegestane hoogte van de appartementen onaanvaardbaar en zijn zij van mening dat de afstand van de appartementen tot de aan de noordzijde hiervan gelegen woonwijk te klein is. Hierdoor ondervinden appellanten hinder in de vorm van verminderde privacy, minder lichtinval en afname van het uitzicht.

   [appellant sub 1] vreest voorts dat de bouw van de appartementen leidt tot schade aan zijn huis in de vorm van scheurvorming in de muren. Ook vrezen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] een afname van de verkeersveiligheid op de Parallelweg als gevolg van toenemende verkeersdrukte. [appellanten sub 3] stellen dat onvoldoende is aangetoond dat er behoefte is aan de te bouwen luxe appartementen.

   [appellanten sub 2] menen dat het plan onvoldoende waarborgt dat het bestaande groen nabij de beoogde plek voor de appartementencomplexen behouden blijft.

   Naar de mening van [appellanten sub 2] heeft verweerder voorts ten onrechte goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve groenzone (RG)", voor zover dat betrekking heeft op de Parallelweg. Tevens biedt het plan onvoldoende waarborgen voor het handhaven van eenrichtingsverkeer op de Parallelweg. Zij stellen ook dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" ten zuidoosten van de woonwijk. Tevens zou het plan volgens hen moeten bepalen dat het bedrijventerrein ten zuidoosten van de woonwijk voldoende omgeven wordt door afschermend groen. Daarnaast voorziet het plan volgens [appellanten sub 2] ten onrechte in ruimte voor zeven extra parkeervakken aan de Parallelweg, nu verweerder goedkeuring heeft onthouden aan het planvoorschrift dat het mogelijk maakte om op het bedrijventerrein zelfstandige kantoren te vestigen. De desbetreffende parkeermogelijkheid is naar hun mening immers in het plan opgenomen ten behoeve van deze kantoren.

   [appellanten sub 3] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de nadere aanduiding 'B-I' ten zuidoosten van de woonwijk. Volgens hen maakt het plan ten onrechte mogelijk dat het bedrijventerrein in de richting van de woonwijk wordt uitgebreid, hetgeen leidt tot een aantasting van de omgeving.

   Ten slotte is volgens [appellanten sub 3] onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna in het gebied en de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

Standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft de bovenstaande onderdelen van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het in zoverre goedgekeurd. Verweerder acht de bouwmogelijkheden ten behoeve van de appartementencomplexen voldoende objectief begrensd en aanvaardbaar. Gezien de ligging van de beoogde plekken voor de appartementencomplexen aan de rand van het Wilhelminakanaal is op deze locatie een grotere bouwhoogte goed mogelijk. Verder zal de bouw aansluiten bij de bestaande verhoudingen in Oirschot door de verplichting om de te realiseren appartementen te verdelen over drie complexen. De belangen met betrekking tot het realiseren van extra woningbouw rechtvaardigen het feit dat door deze bouw de woonomgeving van appellanten verandert. Er vindt geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaats. Volgens verweerder kan het segment waarvoor moet worden gebouwd niet in een bestemmingsplan worden geregeld en is afgezien daarvan gebleken dat behoefte bestaat aan woningen in het hogere segment.

   Wat betreft het verkeer op de Parallelweg is verweerder van mening dat geen onaanvaardbare verkeerssituatie ontstaat. Het eenrichtingsverkeer op deze weg wordt deels opgeheven, maar de Parallelweg wordt geen doorgaande weg. Bovendien zal de maximumsnelheid op deze weg 30 kilometer per uur bedragen en zal het aantal verkeersbewegingen slechts beperkt toenemen.

   De extra parkeerplaatsen worden slechts beperkt aan de kant van de Parallelweg gesitueerd. Weliswaar leidt de inrichting van het bedrijventerrein tot verlies aan groen, maar met de ontwikkeling als bedrijventerrein kunnen bedrijven uit het centrumgebied van Oirschot verplaatst worden. Bovendien heeft het aanwezige groen volgens verweerder niet een zodanige natuur- en/of landschappelijke waarde dat behoud noodzakelijk is.

   Naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is een onderzoek verricht, waaruit bleek dat alleen het toegestane aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintiguurgemiddelde concentratie fijn stof wordt overschreden ten gevolge van het hoge achtergrondniveau en het verkeer op lokale wegen en de autosnelweg. Het Besluit luchtkwaliteit 2005 vormt echter geen beletsel voor de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, nu deze geen negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit. Verder is de op grond van de Flora- en Faunawet benodigde ontheffing verstrekt en bovendien heeft de gemeenteraad aangegeven het groen zoveel mogelijk te sparen en verlies aan groen in ieder geval te compenseren.

Vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    Op de plankaart zijn binnen het plandeel met de bestemming "Recreatieve groenzone (RG)", dat betrekking heeft op een terrein tussen de woonwijk en het Wilhelminakanaal, drie contouren opgenomen met de aanduiding 'appartementencomplex' en een aanduiding die een maximale bebouwingshoogte van 14 meter aangeeft. Deze contouren zijn geprojecteerd op gronden ten zuiden van de woonwijk. Tussen deze gronden en de woonwijk ligt de Parallelweg, die daar eveneens de bestemming "Recreatieve groenzone (RG)" heeft.

   Ten zuidoosten van de woonwijk liggen op een afstand van ongeveer 20 meter van de woonwijk gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de nadere aanduiding 'B-I'.

   Aan het deel van de Parallelweg tussen de woonwijk en het bedrijventerrein is de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden (VV)" toegekend.

2.8.2.    Ingevolge artikel 5.1. van de planvoorschriften zijn de op de kaart als "Recreatieve groenzone (RG)" aangewezen gronden onder meer bestemd voor woondoeleinden en voor verkeers- en verblijfsdoeleinden.

   Ingevolge artikel 5.2.3. van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn woondoeleinden uitsluitend toegestaan in de vorm van een drietal appartementencomplexen op of nabij de aanduidingen op de kaart.

(…)

De appartementencomplexen mogen uitsluitend een terrasvormige opbouw krijgen. Dit betekent dat elke bouwlaag duidelijk terugwijkt ten opzichte van de laag eronder. Trappenhuizen/liften zijn uitzondering. Daarbij geldt dat het bouwwerk zich op de 15 meter grens, zoals opgenomen in artikel 5.3.2. onder a, kan plaatsen achter een denkbeeldige lijn van 65˚ met de horizontaal, hellend richting het zuiden.

   Ingevolge artikel 5.3.2. van de planvoorschriften dienen de appartementencomplexen aan het volgende te voldoen:

a. de afstand van de appartementencomplexen tot de bestaande woonkavels in de aangrenzende woonbuurt De Drossaard mag nergens minder bedragen dan 15 meter;

b. de gezamenlijk bebouwde oppervlakte van de appartementencomplexen mag niet meer bedragen dan 4000 m²;

c. de op de kaart aangegeven bebouwingshoogte mag niet worden overschreden;

d. het gezamenlijk aantal woningen (appartementen) mag niet meer dan 45 bedragen;

e. onder de appartementen zijn kelders toegestaan.

   Ingevolge artikel 9.1. van de planvoorschriften zijn de op de kaart als "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeer- en groenvoorzieningen.

2.8.3.    In de plantoelichting staat dat de appartementencomplexen worden geplaatst in een parkachtige context, waarbij waar mogelijk het bestaande boombestand en bosplantsoen wordt gehandhaafd. Voorts staat in de plantoelichting dat de ten noorden van het Wilhelminakanaal gelegen wegen, waaronder de Parallelweg valt, worden ingericht als verblijfsgebied. Deze wegen worden blijkens de plantoelichting opgenomen in de 30-kilometerzone en als zodanig ingericht. Uit de plantoelichting volgt verder dat in het gemeentelijke woningbouwprogramma tot 2015 voor de kanaalzone een capaciteit is opgenomen van ongeveer 100 woningen, waarbij voornamelijk wordt uitgegaan van woningen in het hogere prijssegment. Volgens de plantoelichting kan ter plaatse van het bedrijventerrein één bomenrij langs de Parallelweg worden gehandhaafd.

2.8.4.    In het rapport "Ecoscan Kanaalzone Oirschot" (DHV Milieu en Infrastructuur BV, 27 mei 2004) staat dat het niet aannemelijk is dat er in het plangebied strikt beschermde soorten (bijlage II en IV) van de Habitatrichtlijn voorkomen, behalve mogelijk Drijvend waterweegbree en vleermuizen. Het rapport bevat onder meer de aanbeveling om een beperkt veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de genoemde soorten. Het resultaat van dit veldonderzoek is neergelegd in het rapport "Beschermde flora en fauna Kanaalzone Oirschot" (Ecologica, juli 2005). Naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is onderzoek gedaan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Bestemmingsplan Kanaalzone" (Pouderoyen compagnons, oktober 2005).

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Vaststaat dat het plan het aanleggen van groenvoorzieningen nabij de appartementencomplexen en op het bedrijventerrein toelaat. Blijkens de plantoelichting is de gemeenteraad voornemens om bestaand groen zoveel mogelijk te handhaven. Het feit dat een beperkt gedeelte van het groen zal verdwijnen, leidt niet tot het oordeel dat in belangrijke mate afbreuk wordt gedaan aan de omgeving van de woonwijk.

   Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat het plan onvoldoende waarborgen biedt voor het inrichten van de Parallelweg als weg voor eenrichtingsverkeer, overweegt de Afdeling dat dit een aspect betreft dat niet in een bestemmingsplan wordt geregeld, maar in een verkeersbesluit. Dit punt is in deze procedure derhalve niet aan de orde.

   Binnen de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" die aan de gronden ten zuidoosten van de woonwijk is toegekend, zijn onder meer parkeervoorzieningen toegestaan. Niet gebleken is dat de mogelijkheid tot het gebruiken van deze gronden voor parkeervoorzieningen geheel of gedeeltelijk is opgenomen ten behoeve van de volgens het plan aan de noordzijde van het bedrijventerrein toegestane kantoren, waaraan verweerder inmiddels goedkeuring heeft onthouden. Op dit punt mist het beroep van [appellanten sub 2] derhalve feitelijke grondslag.

2.9.1.    Ten aanzien van de stelling van [appellanten sub 3] dat het bedrijventerrein te ver wordt uitgebreid in de richting van de woonwijk, overweegt de Afdeling dat de woning van appellanten ook na de uitbreiding van het bedrijventerrein op een afstand van minimaal 20 meter van het bedrijventerrein ligt. Gelet op de toegestane hoogte van 5 meter van de bedrijfsbebouwing aan deze zijde van het bedrijventerrein heeft verweerder deze afstand niet te gering hoeven achten.

2.9.2.    Wat betreft het bezwaar dat onvoldoende onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna en de luchtkwaliteit zou zijn verricht, overweegt de Afdeling als volgt. Naar het voorkomen van beschermde flora en fauna in het plangebied is onderzoek verricht, waarvan de resultaten in twee rapporten zijn neergelegd. Ook ten behoeve van de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is een rapport opgesteld. Verweerder heeft deze onderzoeken bij zijn besluitvorming betrokken. Inmiddels is volgens verweerder een ontheffing verleend op grond van de Flora- en faunawet. Een en ander is niet weersproken door [appellanten sub 3]. Zij hebben nagelaten aan te geven ten aanzien van welke punten zij menen dat onvoldoende onderzoek zou zijn verricht dan wel op welke punten de verrichte onderzoeken inhoudelijk onvoldoende zouden zijn. Ook ter zitting hebben zij hun bezwaren niet nader toegelicht. Gelet hierop treffen deze bezwaren geen doel.

2.9.3.    Dat appellanten mogelijk enige hinder zullen ondervinden in de vorm van afneming van uitzicht, zonlicht en privacy als gevolg van de hoogte van de appartementencomplexen en de afstand van de complexen tot de woonwijk betekent niet dat verweerder aan de realisering van extra woonruimte geen doorslaggevend belang heeft kunnen hechten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit schaduwberekeningen is gebleken dat de zonlichtinval, met uitzondering van de periode rond 21 december, door de appartementencomplexen slechts in geringe mate afneemt. Voorts houden de planvoorschriften een beperking in van de toegestane bouwmassa ter plaatse van de contouren en is een minimaal aan te houden afstand voorgeschreven.

   Het betoog van [appellant sub 1] dat de bouw zal leiden tot scheurvorming in de woningen in de woonwijk, wat daar verder van zij, betreft de uitvoering van het plan en is niet aan de orde bij de toetsing van de planologische aanvaardbaarheid ervan in deze procedure.

   Niet aannemelijk is voorts dat de appartementencomplexen uit het oogpunt van verkeersveiligheid en verkeersoverlast zullen leiden tot een onaanvaardbare situatie. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het aantal te realiseren appartementen is beperkt tot maximaal 45, en dat de Parallelweg in het plangebied overwegend een rol vervult voor bestemmingsverkeer en wordt ingericht als 30-kilometerzone.

   Blijkens de plantoelichting voorziet het plan in een behoefte aan woningen in het hogere prijssegment. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan dergelijke woningen geen behoefte zou bestaan.

   Voor zover appellanten betogen dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt omtrent de situering van de appartementencomplexen, overweegt de Afdeling het volgende. De gemeenteraad heeft ervoor gekozen geen bouwvlakken op te nemen op de plankaart, doch de locaties voor de appartementencomplexen globaal aan te duiden door het weergeven van contouren. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen.

Het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt.

Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

   Aangezien artikel 5.2.3. van de planvoorschriften het mogelijk maakt dat de appartementencomplexen behalve binnen de daarvoor aangeduide gebieden ook mogen worden gebouwd nabij deze gebieden, is niet duidelijk waar deze appartementencomplexen mogen worden gebouwd. Dit leidt de Afdeling tot het oordeel dat deze bepaling in strijd is met de rechtszekerheid. Hierbij heeft zij mede in aanmerking genomen de situatie ter plaatse, met woningbouw in de directe nabijheid.

2.9.4.    Gelet op het overwogene in 2.9.3. is het plan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de zinsnede "of nabij" in artikel 5.2.3. van de planvoorschriften. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de zinsnede "of nabij" in artikel 5.2.3. van de planvoorschriften.

   De Afdeling bepaalt in aanvulling op het bovenstaande en met toepassing van artikel 30, tweede lid, van de WRO dat geen nieuw plan als bedoeld in het eerste lid van dit artikel behoeft te worden vastgesteld. Zij neemt hierbij in aanmerking dat artikel 5.2.3. van de planvoorschriften voor het overige niet in strijd is met de rechtszekerheid.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor het overige, voor zover hij daaraan goedkeuring heeft verleend, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige en voor zover door hen bestreden anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.10.    Verweerder dient op navolgende wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3]. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2, voor zover ingediend door [appellant sub 2], en het beroep van appellanten sub 2, voor zover ingediend door [appellanten] en voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 december 2005, kenmerk 1101848, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 5.2.3. van de planvoorschriften voor zover het betreft de zinsnede "of nabij";

IV.    1. onthoudt goedkeuring aan de onder III. genoemde zinsnede;

2. bepaalt dat geen nieuw plan als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WRO behoeft te worden vastgesteld, voor zover goedkeuring is onthouden aan de onder III. genoemde zinsnede;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover het betreft het onder IV. genoemde;

VI.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten sub 2 en 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een totaalbedrag van € 749,93 (zegge: zevenhonderdnegenenveertig euro en drieënnegentig cent), waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant op de volgende wijze, onder vermelding van het zaaknummer, te worden betaald:

- aan appellanten sub 2 een bedrag van € 105,93 (zegge: honderdvijf euro en drieënnegentig cent);

- aan appellanten sub 3 een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

VIII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) ieder vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven       w.g. Troost

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

234-528.