Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200604917/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) de Staat van bestaande prostitutie-inrichtingen met nadere eisen (hierna: de Staat) gewijzigd en daarin het pand [locatie] opgenomen met een maximum van twee vitrines en twee werkruimten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604917/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/178 van de rechtbank Groningen van 29 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) de Staat van bestaande prostitutie-inrichtingen met nadere eisen (hierna: de Staat) gewijzigd en daarin het pand [locatie] opgenomen met een maximum van twee vitrines en twee werkruimten.

Bij besluit van 28 december 2004 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2006, verzonden op 29 mei 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. F. van der Hoef, advocaat te Bergum,  en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bouma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting en het onderzoek gesloten.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 95a, eerste lid, van de ten tijde van belang van kracht zijnde Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 1994 (hierna: de APV) is het verboden een prostitutie-inrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester.

2.1.1.    Ingevolge artikel 95b, eerste lid, weigert de burgemeester de vergunning indien:

a. […];

b. de vestiging in strijd is met een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid voor prostitutie-inrichtingen of escortbedrijven aangewezen gebied of straat, dan wel in strijd is met het per gebied of straat toegestane maximum aantal inrichtingen of bedrijven;

c. de exploitatie in strijd is met de op grond van artikel 95e bij nadere regel gestelde eisen ten aanzien van de inrichting en de bedrijfsvoering;

d. […];

e. […].

   Uit het tweede en het derde lid volgt dat de burgemeester de vergunning tevens met het oog op bepaalde, daarin vermelde belangen kan weigeren.

2.1.2.    Ingevolge artikel 95e van de APV kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de in artikel 95b, tweede en derde lid genoemde belangen over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

   In artikel 95g van de APV is een overgangsregeling voor bestaande prostitutie-inrichtingen opgenomen.

2.1.3.    Het college heeft, op basis van artikel 95b van de APV, het Aanwijzingsbesluit (concentratie)gebieden prostitutie-inrichtingen (hierna: het Aanwijzingsbesluit) vastgesteld. Het Aanwijzingsbesluit is op 1 oktober 2000 in werking getreden, nadien gewijzigd, en als bijlage 12 bij de APV gevoegd.

   Ingevolge artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit is, voor zover thans van belang, het exploiteren van een prostitutie-inrichting als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, van de APV in het Concentratiegebied Centrum Noord-West slechts toegestaan in de Vishoek, de Hoekstraat en de Muurstraat.

2.1.4.    Het college heeft krachtens de artikelen 95e en 95g van de APV de Staat vastgesteld en nadien, met ingang van 1 april 2004, gewijzigd. De Staat is als bijlage 13 bij de APV gevoegd.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Staat mogen in het pand [locatie] maximaal twee vitrines en twee werkruimten aanwezig zijn.

   In artikel 2, eerste lid, onder a, is ten aanzien van hoekpanden bepaald dat de ramen en de toegangsdeur(en) uitsluitend aan de in artikel 1 genoemde concentratiestraten mogen zijn gelegen.

2.2.    Appellant is eigenaar en verhuurder van het pand [locatie], waarin een prostitutie-inrichting wordt geëxploiteerd. Het pand is gelegen op de hoek van de Hoekstraat en de Vierde Drift. Appellant stelt zich op het standpunt dat in dit pand ten onrechte geen vitrines en toegangsdeur aan de Vierde Drift zijn toegestaan.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat de nieuw opgestelde Staat strekt tot vervanging van de op 1 oktober 2000 in werking getreden Staat en dat vitrines en een toegangsdeur aan de Vierde Drift ook onder de werking van de vorige Staat al niet waren toegestaan. Aangezien appellant tegen de vaststelling van die eerdere Staat destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend, komt de rechtbank tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Staat op dit punt niet te wijzigen.

2.4.    De Afdeling overweegt ambtshalve dat de door appellant gewenste vitrines en toegangsdeur aan de Vierde Drift, gegeven het juridische kader zoals hiervoor beschreven, alleen mogelijk zijn indien de Vierde Drift in het Aanwijzingsbesluit als concentratiestraat wordt aangewezen, dan wel indien artikel 2, eerste lid, onder a, van de Staat wordt gewijzigd. Reeds omdat deze laatste bepaling een algemeen verbindend voorschrift is, waartegen geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat, en het beroep niet is gericht tegen het Aanwijzingsbesluit, kon het bij de rechtbank ingestelde beroep niet slagen. De stelling van appellant dat het pand maar één vitrine aan de zijde van de Hoekstraat kan hebben en altijd vitrines aan de zijde van de Vierde Drift heeft gehad, waartegen niet werd opgetreden, maakt dit niet anders. Wat er ook zij van zijn betoog dat het college met het toestaan van twee vitrines in het pand impliciet zou hebben erkend dat ook de Vierde Drift als concentratiestraat behoort te worden aangemerkt, met vernietiging of wijziging van het voor beroep vatbare gedeelte van de Staat kon niet worden bereikt dat het pand vitrines en een toegangsdeur aan de Vierde Drift mag hebben. De door appellant genoemde uitspraak van 22 december 2004, no. 200305403/1 (JM 2005, nr. 19) heeft betrekking op een niet met deze zaak vergelijkbare situatie. De rechtbank heeft het beroep dus terecht ongegrond verklaard.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom      w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

148