Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200608187/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de burgemeester van Moerdijk (hierna: de burgemeester) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de exploitatie van een seksinrichting in een gedeelte van haar woning op het perceel [locatie] in [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 118 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2007/3530
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608187/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,

tegen de uitspraak in zaak nos. 06/4652 en 06/4653 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 30 oktober 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Moerdijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de burgemeester van Moerdijk (hierna: de burgemeester) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de exploitatie van een seksinrichting in een gedeelte van haar woning op het perceel [locatie] in [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 5 september 2006 heeft de burgemeester het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de burgemeester. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda, en [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door ir. A.M.W. Dirken, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.1.    Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Moerdijk (hierna: de APV), voor zover hier van belang, is het verboden een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

   Ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder c, wordt onder een seksinrichting verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

2.2.    De burgemeester heeft aan appellante voormelde last onder dwangsom opgelegd, omdat zij zonder vergunning een seksinrichting in haar woning exploiteert en daarmee artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV overtreedt.

2.3.    Appellante heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006, waarin artikel 3.2.2 van de APV van de gemeente Uden onverbindend werd geacht. Ingevolge die bepaling mogen de exploitant en de beheerder van een seksinrichting niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

   Voor zover appellante hiermee heeft bedoeld te betogen dat artikel 3.2.1 van de APV van Moerdijk eveneens verbindende kracht mist, kan dit betoog niet slagen, reeds omdat artikel 3.2.1 van de APV deze gedragseis niet bevat. Het stellen van een dergelijke eis is thans ook niet in geding.  

2.4.    Appellante komt tevergeefs op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij ten tijde van de besluiten van 30 mei 2006 en 5 september 2006 een seksinrichting in de zin van artikel 3.1.1, aanhef en onder c, van de APV exploiteerde. Dat zij thuis werkte en dat in haar woning geen andere prostituees werkzaam waren, betekent niet dat reeds daarom geen sprake kan zijn van een bedrijfsmatige exploitatie, dan wel van een exploitatie in een omvang alsof ze bedrijfsmatig was. Appellante voorzag in haar eigen levensonderhoud door in haar woning als prostituee te werken. Zij wierf daarvoor actief klanten door het plaatsen van advertenties en haar inkomsten uit die activiteiten worden via een boekhouder bij de fiscus verantwoord. Bovendien is zij mede ten behoeve van haar prostitutieactiviteiten ingeschreven in het handelsregister berustend bij de Kamer van Koophandel. Deze omstandigheden mede in aanmerking genomen, bestaat voldoende grond voor het oordeel dat appellante in haar woning een seksinrichting exploiteerde als bedoeld in de APV. Dat in sommige gemeenten geen vergunningplicht geldt voor thuiswerkende prostituees, maakt dit niet anders.

2.5.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV, zodat de burgemeester ter zake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.1.    De voorzieningenrechter heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aan handhavend optreden in de weg staan. Het betoog van appellante dat tegen deze overweging is gericht, slaagt niet.  Appellante heeft gesteld dat zij dit werk al jaren doet, dat zij geen overlast veroorzaakt en dat zij in een behoefte voorziet. Zij heeft voorts gesteld dat zij bij beëindiging van haar werkzaamheden een uitkering zal moeten aanvragen en dat haar bestaande schuldenlast zal toenemen. Dit zijn echter geen omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van handhavend optreden af te zien. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De brief waarop zij in dit verband heeft gewezen, heeft betrekking op het verwerven van inkomen als aanvulling op haar bijstandsuitkering. In die brief is niet toegezegd dat niet zou worden opgetreden tegen het zonder vergunning exploiteren van een seksinrichting in haar woning.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom        w.g. Visser

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

148