Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200608956/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Westvoorne het bestemmingsplan "Valweg/Hoefweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608956/2.

Datum uitspraak: 22 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Westvoorne,

2.    de vereniging "Vereniging van Omwonenden van het land van Vark", gevestigd te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

3.    [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Westvoorne,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Westvoorne het bestemmingsplan "Valweg/Hoefweg" vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2729A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brieven van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brieven van 14 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 9 maart 2007, waar verzoeker sub 1, in persoon, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verzoeker sub 3, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr  drs. ing. S.A.B. de Boer, advocaat te Amsterdam, en bijgestaan door ir. J.S. Bennema, ing. L. Prinsenbeek, P.A.W. de Koning en L.J. Hokken, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan voorziet in de juridisch planologische regeling van woningbouw en een voorzieningencentrum met daarin een zwembad, muziekruimte, sportzaal en cultureel centrum in het gebied omsloten door de Molenweg en de Hoefweg ten zuiden van Oostvoorne.  

2.3.    Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan en beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de bouwhoogte van de voorziene woningen en het voorzieningencentrum niet aansluit bij de bebouwing in de omgeving en dat bovendien het nut en de noodzaak van dit voorzieningencentrum ten onrechte niet zijn aangetoond. Voorts voeren zij aan dat de onderzoeken naar de verkeersproblematiek, luchtkwaliteit en geluidshinder onzorgvuldig zijn tot stand gekomen. Volgens verzoekers is daarnaast ten onrechte onvoldoende onderzoek gedaan naar de waterkwaliteit en waterkwantiteit in het plangebied.

2.4.    Ter zitting heeft de gemeenteraad gesteld dat wordt beoogd zo spoedig mogelijk een bouwaanvraag in te dienen. Gelet hierop acht de Voorzitter, anders dan door de gemeenteraad betoogd, een spoedeisend belang in zoverre aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of in zoverre aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de waterhuishouding in het plangebied, de verkeersproblematiek, de luchtkwaliteit en geluidshinder. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn in het bestemmingsplan neergelegd dan wel als bijlagen bij het bestemmingsplan toegevoegd. Verzoekers hebben ten aanzien van deze uitkomsten gemotiveerd bestreden waarom van de juistheid hiervan niet kan worden uitgegaan. Gelet op de stukken, waaronder voormelde onderzoeken en de gedetailleerde verzoekschriften, en het verhandelde ter zitting sluit de Voorzitter op voorhand niet volstrekt uit dat de uitkomsten van voormelde onderzoeken door verzoekers terecht in twijfel worden getrokken. De Voorzitter acht hiernaar nader onderzoek aangewezen, waartoe de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. In verband hiermee ziet de Voorzitter, gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, reeds hierom aanleiding de verzoeken toe te wijzen en de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen. De overige onderdelen van de verzoeken behoeven geen bespreking meer.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De door verzoekster sub 2 aangedragen deskundigenkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien van een deskundigenrapport niet is gebleken. Evenmin is gebleken van rechtsbijstandskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, nu verzoekster sub 2 zich niet heeft laten vertegenwoordigen ter zitting, noch een verzoekschrift heeft laten opstellen.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2729A;

II.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 563,00 (zegge: vijfhonderddrieënzestig euro) voor verzoeker sub 1, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor verzoekster sub 2 € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) en voor verzoeker sub 3 € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel      w.g. Langeveld

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007

317-522.