Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200605734/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2005 heeft de gemeenteraad van Harlingen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2005, het bestemmingsplan "Harlingen-Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605734/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2005 heeft de gemeenteraad van Harlingen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2005, het bestemmingsplan "Harlingen-Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 6 juni 2006, kenmerk 643396, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 september 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Harlingen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007. Verweerder, vertegenwoordigd door A.P. Hoekstra, ambtenaar van de provincie, is daar verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Harlingen, vertegenwoordigd door H.G.J. Woltjer, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord. [appellanten] zijn ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" voor de percelen aan de [locaties 1] en de [locaties 2]. Volgens appellanten voorziet het plan ten onrechte niet langer in de mogelijkheid om windmolens op deze plandelen te exploiteren. Zij voeren hiertoe aan dat het onder het overgangsrecht brengen van de thans aanwezige solitaire windmolens in strijd is met de rechtszekerheid omdat niet zeker is of de verwezenlijking van windmolens op een andere in het plangebied gelegen plaats ter compensatie hiervan (hierna: het windmolenpark) doorgang kan vinden. Hierbij wijzen zij onder meer op de bezwaren die van de kant van het Ministerie van Defensie zijn ingediend tegen de bouwvergunning die met toepassing van artikel 19 van de WRO is verleend voor het windmolenpark.

Standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze goedgekeurd.

Volgens verweerder zijn de windmolens terecht onder het overgangsrecht gebracht omdat vast staat dat deze binnen de planperiode zullen verdwijnen. Hiertoe heeft hij onder meer overwogen dat aannemelijk is dat het windmolenpark kan worden verwezenlijkt omdat het Ministerie van Defensie, Directie Noord heeft bericht dat een invulling binnen de maatvoering mogelijk is zonder het functioneren van de radarinstallatie onevenredig aan te tasten.

Vaststelling van de feiten

2.5    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Op de percelen [locaties 1] en [locaties 2] worden thans in totaal vijf windmolens geëxploiteerd.

In het bestemmingsplan heeft een strook grond langs de Rijksweg A31 de medebestemming "Windmolenpark" gekregen. Ingevolge artikel 19, onder A, van de planvoorschriften zijn de gronden, voor zover van belang, daarmee tevens bestemd voor windmolens, met daarbij behorende bouwwerken. Ingevolge artikel 19, onder B, van de planvoorschriften mogen, voor zover van belang, op de gronden ten hoogste zes windmolens worden gebouwd, met een hoogte van maximaal 60 meter en een rotordiameter van ten hoogste 72 meter.

2.5.2.    Appellanten nemen deel aan de verwezenlijking van het windmolenpark. Zij hebben een zogenoemde afbraakovereenkomst gesloten, waarin de verplichting is opgenomen bij verwezenlijking van het windmolenpark de huidige solitaire windmolens af te breken.

2.5.3.    Op 4 januari 2006 is vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van zes windmolens op het windmolenpark. Het Ministerie van Defensie heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In een brief van 12 juni 2006 van het Commando DienstenCentra van het Ministerie van Defensie wordt hieromtrent verder gesteld dat de bouw van het type windmolens zoals aangevraagd op die plaats het functioneren van de radarinstallaties van de Koninklijke Luchtmacht, met name de radarpost Wier in de gemeente 't Bildt, in onaanvaardbare mate verstoort. Voorts is hierin gesteld dat niet vast staat dat op de plek van het windmolenpark in het geheel geen grote windmolens kunnen worden gebouwd, omdat door aanpassing van de bouwmassa veelal mogelijk is de verstoring te verkleinen tot een aanvaardbaar niveau. In de brief worden acht typen onderzocht, waarvan twee aanvaardbaar worden geacht.

Volgens de stukken is naar aanleiding hiervan overleg gevoerd tussen appellanten en het Ministerie van Defensie. Hierbij is volgens de brief van 10 januari 2007 van het college van burgemeester en wethouders aan andere bezwaarmakers van de bouwvergunning een voor beide partijen acceptabel windmolentype gekozen. Voorts staat in deze brief dat het college aanleiding heeft gezien een nieuwe bouwvergunning te verlenen overeenkomstig dit windmolentype en dat de bouwvergunning van 4 januari 2006 wordt ingetrokken.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het onder het overgangsrecht brengen van een bestaande legale situatie is over het algemeen slechts gerechtvaardigd indien voldoende aannemelijk is dat het bouwwerk binnen de planperiode zal worden verwijderd. Ter beoordeling staat derhalve de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat de solitaire windmolens binnen de planperiode zullen worden verwijderd.

Blijkens de stukken heeft verweerder deze beslissing gebaseerd op het bestaan van de door appellanten afgesloten afbraakovereenkomst. Vast staat dat in deze overeenkomst een directe koppeling is gelegd met de aanleg van het eveneens in het bestemmingsplan opgenomen windmolenpark. Gelet op die koppeling is van belang of aannemelijk is dat het windmolenpark binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Vast staat dat het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid het windmolenpark aan te leggen. Hoewel ten tijde van het goedkeuringsbesluit bekend was dat het Ministerie van Defensie een bezwaarschrift had ingediend tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning van 4 januari 2006, behoefde verweerder hierin geen aanleiding te zien voor de verwachting dat het windmolenpark niet zal kunnen worden verwezenlijkt. Verweerder heeft hierbij van belang kunnen achten dat tegen dit onderdeel van het bestemmingsplan geen zienswijzen en bedenkingen zijn ingediend zodat het plan op dit punt onherroepelijk zou worden en een daarbinnen passende bouwvergunning niet wegens strijd met het bestemmingsplan kan worden geweigerd. Gelet daarop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat de aanleg van het windmolenpark, en in het verlengde daarvan het verdwijnen van de solitaire windmolens, zal plaatsvinden.

Wat betreft de vrees dat het Ministerie van Defensie uit oogpunt van landsbelang middelen zou inzetten tegen de verlening van een bouwvergunning overweegt de Afdeling voorts het volgende. Verweerder heeft in dit geval betekenis kunnen toekennen aan het feit dat de bezwaren van het Ministerie van Defensie met name betrekking hadden op windmolens van het bij de bouwvergunning aangevraagde type. Zoals ook volgt uit de stukken is met de toepassing van een ander type windmolen wel een invulling mogelijk van het windmolenpark die voor het Ministerie van Defensie aanvaardbaar is. Ook in zoverre bestaat derhalve geen grond aan te nemen dat verweerder ten onrechte van de uitvoerbaarheid van het plan op dit punt is uitgegaan.

2.6.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen. Het beroep is ongegrond.

2.6.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                                           w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

317-547.