Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200700870/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) aan de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) vrijstelling verleend voor de realisering van de westelijke rijbaan van de Rijksweg 73-Zuid, tussen de uitmonding van de tunnelbak ter hoogte van de Kaldenkerkerweg in Tegelen en de Zuiderbrug (hierna: wegvak C2) met alle daarbij behorende voorzieningen waaronder een tweetal viaducten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700870/2.

Datum uitspraak: 22 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/837 en  06/894 t/m 06/897 van de rechtbank Roermond van 20 december 2006 in het geding tussen:

I.    de vereniging "De Blerickse Belangenvereniging A73/A74", gevestigd te Venlo,

II.    de vereniging "Vereniging Belangen Bewoners Venloseweg en omstreken", gevestigd te Venlo,

III.    verzoeker,

IV.    [wederpartij sub 4A], wonend te [woonplaats] en [wederpartij sub 4B], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) aan de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) vrijstelling verleend voor de realisering van de westelijke rijbaan van de Rijksweg 73-Zuid, tussen de uitmonding van de tunnelbak ter hoogte van de Kaldenkerkerweg in Tegelen en de Zuiderbrug (hierna: wegvak C2) met alle daarbij behorende voorzieningen waaronder een tweetal viaducten.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college dat besluit gehandhaafd onder wijziging van de motivering.

Bij uitspraak van 20 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer verzoeker bij brief van 31 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 maart 2007, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, gemachtigde, en het college en het college van gedeputeerde staten van Limburg, beide vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de Minister, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het college heeft aan zijn standpunt dat voldaan wordt aan artikel 7, lid 3, aanhef en onder b, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 ten grondslag gelegd het rapport van TNO van september 2005. Daarin wordt kort samengevat geconcludeerd dat voor zover de in dat besluit opgenomen grenswaarden ter zake van stikstofdioxide en zwevende deeltjes ten gevolge van wegvak C2 worden overschreden, die overschrijding achterblijft bij die in de autonome ontwikkeling, een kleiner gebied beslaat en minder personen treft. Dat rapport is aangevuld op 25 augustus 2006 en 22 november 2006. Verzoeker heeft dat rapport bestreden maar heeft geen deskundigenrapport overgelegd waaruit blijkt dat de conclusies van TNO onjuist zijn. Zulks is ook overigens niet aannemelijk geworden. Derhalve bestaat geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de in hoger beroep aangevallen uitspraak, die door verzoeker met name wordt bestreden op dit punt, in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling niet mocht worden verleend.

2.3.    Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bovendien slechts aanleiding indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het belang van uitsluitend verzoeker bij schorsing van één of meer van de thans aan de orde zijnde besluiten acht de Voorzitter, daargelaten wat hij met zijn verzoek wil bereiken, in ieder geval ondergeschikt aan de - naar voldoende aannemelijk is geworden - dringende belangen die zijn gemoeid met de realisering van wegvak C2.

2.4.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak                             w.g. Willems

Voorzitter                            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007

412