Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200606301/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het recht op bemiddeling vervallen verklaard en de verstrekte urgentieverklaring ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606301/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. HUISV 05/6093 van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het recht op bemiddeling vervallen verklaard en de verstrekte urgentieverklaring ingetrokken.

Bij besluit van 11 november 2004 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2005, verzonden op 16 juni 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 november 2005 heeft het college, gevolggevend aan de uitspraak van de rechtbank, de bezwaren ongegrond verklaard en onder wijziging en aanvulling van de motivering het besluit van 6 april 2004 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 14 juli 2006, verzonden op 17 juli 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, en het college vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4.1 van de Huisvestingverordening 2003 (hierna: de HVV 2003) zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een bijzondere hardheid ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2.    Bij besluit van 31 oktober 2001 is door het college aan appellante, in verband met de medische situatie van haar zoontje, een urgentieverklaring toegekend voor een rolstoeltoegankelijke en -doorgankelijke vijf kamer-benedenwoning met bepaalde afmetingen en een nader genoemde maximale huurprijs. Daarin is voorts vermeld als het door appellante gekozen stadsdeel, waarop de urgentieverklaring van toepassing is: Rechter Maasoever Oost. Op 1 april 2004 heeft appellante een passende woning in de tot dit stadsdeel behorende wijk Zevenkamp aangeboden gekregen. Zij heeft deze woning, gezien de afstand van deze wijk tot de wijk Kralingen waar zij en haar gezin woonachtig zijn en hun sociale netwerk hebben, geweigerd. Hierop heeft het college de urgentieverklaring ingetrokken.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat het college redelijkerwijze geen toepassing behoefde te geven aan de mogelijkheid, genoemd in paragraaf II.2 van bijlage 1 bij de huisvestingsverordening 1999 (hierna: de HVV 1999), om binnen het gewenste stadsdeel tot nadere specificatie van één of meer wijken over te gaan. De rechtbank heeft miskend dat zij in haar belangen is geschaad doordat het college toepassing heeft gegeven aan de HVV 2003, waarbij een dergelijke bijlage of toelichting niet is opgenomen, aldus appellante. Daarbij wijst zij erop dat het college ervan op de hoogte was dat zij er groot belang bij had om een passende woonruimte in de wijk Kralingen te verkrijgen.

2.3.1.    Dit betoog treft geen doel. Appellante gaat er ten onrechte van uit dat de HVV 1999 op het onderhavige geschil van toepassing is. De intrekking van de urgentieverklaring dateert van na de inwerkingtreding van de HVV 2003. Dit besluit, zoals gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 11 november 2004, viel niet onder de reikwijdte van de daarin opgenomen overgangsbepaling, zodat hierop de HVV 2003 terecht is toegepast. Van een beleid, waarbij rekening kon worden gehouden met nadere specificatie van de gewenste wijk binnen het opgegeven stadsdeel, was ingevolge de toelichting op deze verordening niet langer sprake.

2.4.    Voorts bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank dat wanneer appellante onverkort vasthoudt aan haar wijkvoorkeur herhuisvesting een onmogelijke zaak is. Zij betoogt dat hoewel er in de periode van 31 oktober 2001 tot 1 mei 2002 en tussen 2 december 2002 en 1 april 2004 geen passende woonruimte is vrijgekomen in de wijk van haar voorkeur dit niet betekent dat er in de toekomst geen woonruimte vrij kan komen in deze wijk. Daarbij wijst appellante erop dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan is dat, gelet op de afhankelijkheid van appellante en haar zoon van hun sociale netwerk in Kralingen-Crooswijk, haar huisvestingsprobleem pas is opgelost wanneer zij een woning krijgt aangeboden in die wijk.

2.4.1.    Ook dit betoog kan niet leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen beoogt het college met het toekennen van een urgentieverklaring om zo spoedig mogelijk een oplossing van het huisvestingsprobleem te vinden. Appellantes betoog strekt ertoe te bewerkstelligen dat zij voor langere tijd recht zou houden op de urgentieverklaring, teneinde binnen de wijk van haar voorkeur, waar woningen van het type en de grootte als voor haar situatie geschikt zeer schaars zijn, alsnog een passende woning te vinden. Niet kan worden geoordeeld dat het college bij zijn in dit verband gemaakte afweging niet meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van het adequaat functioneren van het systeem van urgentieverklaringen, in het leven geroepen om een woningzoekende die dringend behoefte heeft aan een woning op een zo kort mogelijke termijn aan een geschikte woning te helpen, en het voorkomen van een inbreuk daarop, alsmede aan de belangen van de overige woningzoekenden met een urgentieverklaring, dan aan het belang van appellante om dichtbij de school van haar zoon en hun sociale netwerk te wonen. Derhalve heeft het college ervan mogen afzien om voor deze situatie gebruik te maken van de hardheidsclausule. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.    Ten slotte doet appellante een beroep op artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK), waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Voor zover deze bepaling al een direct toepasbare norm zou inhouden, kan niet worden geoordeeld dat van een schending daarvan sprake is, nu uit de stukken blijkt dat het belang van het zoontje van appellante door het college in de aan de besluiten ten grondslag liggende afweging is betrokken.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena                              w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer                 ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

306-538.