Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200605310/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk het wijzigingsplan "Buitengebied 2003, perceel Kadijkweg tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605310/1.

Datum uitspraak: 28 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk het wijzigingsplan "Buitengebied 2003, perceel Kadijkweg tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]" vastgesteld.

Bij besluit van 15 juni 2006, kenmerk 2006-30768, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ingekomen van het college van burgemeester en wethouders van Andijk. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot C], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Voorts zijn [partij], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door T.C. Koeman en W.H. de Bruin, beiden ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader van de Afdeling

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het wijzigingsplan

2.2.    Het plan voorziet in een bebouwingsvlak van één hectare met de bestemming "Agrarische bedrijven (AA)" ten behoeve van de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf tussen de [locatie 1] en [locatie 2] aan de Kadijkweg te [plaats]. De betrokken gronden hadden voorheen de bestemming "Agrarische doeleinden". Binnen het bebouwingsvlak zijn onder voorwaarden agrarische bedrijfsgebouwen, waaronder teeltondersteunende kassen, en één agrarische bedrijfswoning toegestaan.

Het standpunt van appellante

2.3.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Daartoe voert zij allereerst aan dat zij ten onrechte niet is gehoord door het college van burgemeester en wethouders. Voorts acht zij het plan onder meer in strijd met het streekplan "Noord-Holland Noord" (hierna: het streekplan). Volgens appellante is niet voldaan aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" vervatte wijzigingsvoorwaarden ten aanzien van de aan te houden afstand tot naastgelegen bebouwingsvlakken en de volwaardigheid van het agrarische bedrijf. Verder zijn er volgens haar alternatieven en vreest zij dat de gebruiksmogelijkheden van haar naastgelegen gronden als gevolg van het plan ernstig worden beperkt.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan en dat strijd met het streekplan zich niet voordoet. Voorts is hij van mening dat een ernstige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen gronden zich niet zal voordoen.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Op 17 oktober 2005 is door LTO Noord, namens [partij], een aanvraag ingediend ten behoeve van de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op het perceel Kadijkweg tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]. Dit perceel is 3,06 ha groot en valt onder de bepalingen van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" van de gemeente Andijk.

2.5.1.    Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003", voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de in lid 1 genoemde bestemming (Agrarische doeleinden) wijzigen in de bestemming "Agrarische bedrijven (AA)", met inachtneming van de volgende regels:

   1.    de wijziging is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de vestiging van volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven of reële bedrijven die op termijn volwaardig worden, met inachtneming van artikel 3;

       […]

   4.    de diepte van het bebouwingsvlak mag niet meer bedragen dan 100 meter, de breedte niet minder dan 70 meter en de oppervlakte niet meer dan 1 ha;    

   5.     de afstand tussen het te realiseren bebouwingsvlak en het naastgelegen bebouwingsvlak mag niet minder bedragen dan 100 meter.

2.5.2.    Aan de noordzijde van het voorziene bebouwingsvlak ligt het perceel [locatie 1], welk perceel geen bebouwingsvlak bevat. Dit perceel ligt niet in het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003", maar in het plangebied van het bestemmingsplan "Glastuinbouw Het Grootslag 2003", welk bestemmingsplan geen voorschriften bevat omtrent de minimale afstand tussen bebouwingsvlakken. Wel zijn hierin, ter waarborging van het open karakter van het buitengebied, gronden zodanig bestemd dat die niet mogen worden bebouwd. Ter zitting is onweersproken gesteld dat het perceel [locatie 1] niet valt onder deze 'bebouwingsvrije' gronden. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich op het standpunt gesteld dat een kortere afstand dan 100 meter tussen bebouwingsvlakken in het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" en het glastuinbouwgebied mogelijk is, behalve op de gronden die zijn bestemd tot niet te bebouwen grond.

2.5.3.    Aan de zuidoostzijde van het voorziene bebouwingsvlak ligt het perceel [locatie 2]. De afstand van het voorziene bebouwingsvlak tot het bebouwingsvlak op dit perceel bedraagt meer dan 100 meter.

2.5.4.    LTO Noord heeft op 14 oktober 2005 een bedrijfsplan opgesteld en op 14 februari 2006 een aanvulling hierop gegeven. Volgens de aanvulling heeft [partij] het gehele perceel aan de Kadijkweg aangekocht en is ten aanzien van de financiering een toezegging van de bank gedaan op basis van de ingediende meerjarenbegroting.

2.5.5.    De Agrarische Beoordelingscommissie heeft op 1 maart 2006 een advies uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. De conclusie van dit advies is dat het vertrouwen bestaat dat de nieuwvestiging van [partij] kan uitgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat zij niet is gehoord door het college van burgemeester en wethouders overweegt de Afdeling dat geen wettelijke bepaling valt aan te wijzen die het college verplicht om alvorens te beslissen omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan, belanghebbenden te horen. Ook uit artikel 27 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003", welk artikel procedureregels bij toepassing van wijzigingsbevoegdheden en vrijstellingen bevat, vloeit geen verplichting tot horen voort.

2.6.1.    Ten aanzien van de stelling van appellante dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden, overweegt de Afdeling als volgt.

   Nu de afstand tussen het in het wijzigingsplan voorziene bebouwingsvlak en het aan de zuidoostzijde gelegen bebouwingsvlak van [locatie 2] meer dan de in de wijzigingsvoorwaarden genoemde 100 meter bedraagt, is in dit opzicht voldaan aan de wijzigingsvoorschriften. Het perceel [locatie 1] bevat geen bebouwingsvlak zodat ook in dit opzicht zich geen strijd met de wijzigingsvoorschriften voordoet. Dat het perceel [locatie 1] deel uit maakt van een zogenoemd glastuinbouwconcentratiegebied, appellante hier in de toekomst glastuinbouw wenst te verwezenlijken en het perceel hiervoor, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.2., in beginsel ook in aanmerking komt, doet hieraan op zichzelf niet af.

   Met betrekking tot de volwaardigheid van het agrarisch bedrijf acht de Afdeling, gelet op de stukken, waaronder het "Ondernemingsplan [partij] Flower B.V." van LTO Noord Advies van 14 oktober 2005, de aanvulling daarop van 14 februari 2006 en het advies van de Agrarische Beoordelingscommissie van 1 maart 2006, het standpunt van verweerder, dat het bedrijf van [partij] ondanks het beperkte grondareaal op termijn volwaardig kan worden, niet onaannemelijk. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat appellante geen begin van bewijs heeft geleverd om de conclusies uit deze stukken in twijfel te trekken.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan niet in strijd is met de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan "Buitengebied 2003".

2.6.2.    Voorts is de Afdeling niet gebleken dat het in het streekplan vervatte beleid ten aanzien van landbouw en in het bijzonder teeltondersteunend glas in de weg zou staan aan het wijzigingsplan.

2.6.3.    Ten aanzien van het betoog van appellante dat de gebruiksmogelijkheden van het naastgelegen perceel ernstig zullen worden aangetast, onder meer door de schaduwwerking van de door het wijzigingsplan mogelijk gemaakte kas, en dat alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn voor de vestiging van het bedrijf, overweegt de Afdeling als volgt.

   Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, mits is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Het college van burgemeester en wethouders heeft ter zitting verklaard dat het wijzigingsplan geen gevolgen heeft voor de bebouwingsmogelijkheden op het perceel van appellante. Gelet op het verrichte onderzoek naar de schaduwwerking van de voorziene bebouwing is voorts niet gebleken van een ernstige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het naastgelegen perceel.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat er alternatieven mogelijk zijn, overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan waarin de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen van betrekkelijk recente datum is. De mogelijkheid om op deze plaats een nieuw bedrijf te vestigen is derhalve redelijk recent afgewogen. Gebleken is dat hierbij rekening is gehouden met de mogelijkheid ook vestigingsplaats te bieden aan kleinschalige bedrijven mits deze volwaardig zijn. Niet is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders bij de belangenafweging die het heeft uitgevoerd buiten de grenzen is getreden van de hem toegekende bevoegdheid. Gelet op het voorgaande bestond voor verweerder geen grond het bestaan van mogelijke alternatieve vestigingsplaatsen voor het bedrijf bij de beoordeling te betrekken.

2.6.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan.

Het beroep is ongegrond.    

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                                 w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007

317-420.