Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
200700796/1 en 200700796/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast de garage annex berging op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700796/1 en 200700796/2.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. SBR 06/4404 en 06/3467 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leusden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast de garage annex berging op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2007, verzonden op 25 januari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij separate brief van 29 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door J. in 't Veld en B. Nijhuis, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college appellant gelast, onder het opleggen van een dwangsom, de garage annex berging (hierna: het bouwwerk) aan de [locatie] te verwijderen. Dit besluit is door de uitspraak van de Afdeling op 2 april 2003, in zaakno. 200203831/1, onherroepelijk geworden. Appellant heeft niet aan deze last voldaan.

2.3.    Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, faalt. Appellant heeft in het kader van het dwangsombesluit van 3 juli 2001 zijn zienswijze naar voren gebracht. Voorts heeft het college hierna meerdere malen met appellant schriftelijk gecorrespondeerd over de door hem aan het bouwwerk aangebrachte veranderingen. Nu appellant bij eerdere gelegenheid is gehoord en sindsdien niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, heeft het college op grond van artikel 4:11, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het horen van appellant achterwege kunnen laten. Anders dan appellant betoogt, betreft de door het college aangehouden peildatum voor bouwen geen nieuw feit of omstandigheid nu deze peildatum ook in het kader van het dwangsombesluit aan de orde was.

2.4.    Het bouwwerk wijkt af van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996". De bewoning van het bouwwerk is op grond van het gebruiksovergangsrecht van dat plan toegestaan. Appellant heeft bouwvergunningplichtige veranderingen aan het bouwwerk aangebracht. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat nu voor deze veranderingen geen bouwvergunning is verleend, het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat er concreet zicht op legalisatie bestaat op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Hij voert daartoe aan dat de aan het bouwwerk aangebrachte veranderingen onder de werking van het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht vallen. Hij stelt dat na de peildatum slechts kleine veranderingen aan het bouwwerk hebben plaatsgevonden.

2.6.1.     Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften mogen - voor zover hier van belang - bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaan en die afwijken van het in of krachtens het plan - behoudens in dit lid - bepaalde, mits die afwijkingen niet worden vergroot en geen nieuwe afwijkingen van het plan ontstaan:

a.    uitsluitend gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b.    geheel worden vernieuwd, indien die bouwwerken door een calamiteit zijn getroffen (…).

2.6.2.    De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 2 april 2003 overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant aan het bouwwerk aangebrachte veranderingen niet onder de werking van het overgangsrecht vallen omdat de werkzaamheden tezamen niet kunnen worden aangemerkt als gedeeltelijk vernieuwen of veranderen nu daarbij alle muren en het dak ingrijpend zijn vernieuwd, het aanzien van de gevel is gewijzigd en het pand door het gelijktrekken van het dak en het dichtbouwen van de overkapping aanzienlijk van vorm is veranderd. In hetgeen appellant omtrent de peildatum heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college tijdens een controle ter plaatse op 15 februari 2001, derhalve ná de peildatum, heeft geconstateerd dat aan het bouwwerk de voornoemde werkzaamheden plaatsvonden. De door appellant overgelegde verklaring van [partij] leidt niet tot de conclusie dat deze veranderingen reeds voor de peildatum zijn aangebracht omdat deze verklaring alleen betrekking heeft op het vervangen van asbest golfplaten door dakpannen en de aanwezigheid van een keuken en badkamer in 1994.

   Voorts heeft het college, gelet op het gemeentelijk en provinciaal beleid dat is gericht op het tegengaan van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied, in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen weigeren. De voorzieningenrechter is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.7.    De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Appellant wist of kon weten dat aan een mondelinge mededeling van een gemeenteambtenaar, daargelaten of deze ambtenaar dergelijke mededeling heeft gedaan, geen rechten konden worden ontleend, omdat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan een mededeling die is gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat bij appellant het vertrouwen is gewekt dat tegen de bouwwerkzaamheden niet handhavend zal worden opgetreden.

   Voorts is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het door appellant aangehaalde geval waarbij een woning aan de Hamersveldseweg 121 te Leusden in het toekomstige bestemmingsplan positief bestemd zal worden als dubbele woning, betreft een andere feitelijke situatie. Bovendien is, anders dan appellant betoogt, het feit dat het college lange tijd niet tegen die overtreding heeft opgetreden, niet het doorslaggevende argument van het college geweest om de dubbele woning positief te bestemmen.

2.8.    Appellant betoogt voorts tevergeefs dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het college heeft bij zijn belangenafweging betrokken dat precedentwerking dient te worden voorkomen. Verder acht hij handhaving van het bestemmingsplan van belang. Gelet op de door het college aangevoerde belangen bestaat geen grond voor het oordeel dat in dit geval handhavend optreden zodanig onevenredig is dat daarvan had moeten worden afgezien. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat appellant, ondanks dat hem mondeling is aangezegd de bouwwerkzaamheden stil te leggen, is doorgegaan met de bouwwerkzaamheden. Dat de in bezwaar gehandhaafde bestuursdwangaanschrijving tot financieel nadeel leidt, maakt niet dat het college niet tegen het bouwwerk mocht optreden. De omstandigheid dat zijn sociale leven zich afspeelt in Leusden, kan daartoe evenmin leiden, reeds omdat appellant het bouwwerk als woning in gebruik heeft genomen op een moment dat duidelijk was dat het college hiertegen zou optreden.

   De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat, gelet op de omvang en ingrijpendheid van de verbouwing, herstel in de oude toestand niet meer aan de orde kan zijn. Voor gedeeltelijk handhaven heeft het college dan ook in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens                              w.g. Van Driel

Voorzitter                                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

414