Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604781/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft de raad van de gemeente Wateringen, rechtsvoorganger van appellant (hierna: de gemeenteraad), een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604781/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad der gemeente Westland,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/4674 van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2006 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft de raad van de gemeente Wateringen, rechtsvoorganger van appellant (hierna: de gemeenteraad), een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 27 april 2004 heeft de gemeenteraad het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2006, verzonden op 22 mei 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad een nieuwe beslissing op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, verzonden op 10 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2007, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Strien en mr. A.H. Kroeze, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, en bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartij], eigenaar van het perceel [locatie] te [plaats] en bewoner van de daarop aanwezige woning, heeft verzocht om vergoeding van schade, veroorzaakt door de vaststelling van het bestemmingsplan "N211/N54/N222 (Veilingroute)/c.a.", waarbij de realisering van de provinciale weg N211 mogelijk is gemaakt. Hij stelt dat de waarde van de woning daardoor is gedaald vanwege een grotere geluidsbelasting. De schade bedraagt volgens een door hem overgelegd taxatierapport van 15 december 2000 ƒ 90.000,00 (€ 40.840,22).

2.2.    De gemeenteraad heeft het verzoek ter advisering aan de Stichting Advisering Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) voorgelegd. Deze heeft hem in adviezen van februari 2000 en 28 februari 2001 geadviseerd om het af te wijzen. De gemeenteraad heeft vervolgens een door [wederpartij] overgelegd geluidrapport van 19 augustus 2003 aan de SAOZ voorgelegd, die op 3 december 2003 heeft doen weten dat zij daarin geen aanleiding ziet om van haar eerdere adviezen terug te komen. De gemeenteraad heeft vervolgens deze adviezen, alsmede een reactie van Milieubureau Westland van 3 oktober 2003 op het door [wederpartij] ingediende geluidrapport, aan het besluit van 27 april 2004 ten grondslag gelegd.

2.3.    De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) als deskundige benoemd en op basis van haar berichten van 27 januari 2005 en van 19 mei 2005 geconcludeerd dat - samengevat weergegeven - de woning van [wederpartij] destijds ten onrechte buiten de 50 dB(A)-contour is gelaten en hij, op gelijke voet met de eigenaren van de woningen die van meet af aan binnen die contour zijn gebracht, voor vergoeding van planschade in aanmerking komt. Verder heeft zij overwogen dat de gemeenteraad bij de nieuw te nemen beslissing op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar de hoogte van de toe te kennen vergoeding dient vast te stellen.

2.4.    Voor het gebied, waarin het tracé van de N211 ter plaatse van de Korte Noordweg is gesitueerd, gold voorheen het "Plan in hoofdzaak",  dat door de gemeenteraad van Wateringen op 22 mei 1959 is vastgesteld en door Gedeputeerde Staten op 11 april 1960 gedeeltelijk is goedgekeurd. Het gebied had onder dat plan de bestemming "Agrarische doeleinden, categorie A", ingevolge welke bestemming ter plaatse woningen, bedrijfsgebouwen en bijgebouwen, benodigd voor de bedrijfsvoering van land- en tuinbouwbedrijven, met uitzondering van landbouwtechnische hulpbedrijven, mochten worden opgericht.

2.5.    Ingevolge het bestemmingsplan "N211/N54/N222 (Veilingroute)/c.a." (hierna: het bestemmingsplan) dat door de gemeenteraad van Wateringen op 25 oktober 1994 is vastgesteld, op 14 maart 1995 door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd en op 30 mei 1995 in rechte onaantastbaar is geworden, hebben de desbetreffende gronden de bestemming "Verkeersdoeleinden". Zodanige gronden zijn ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften bestemd voor (verkeers)wegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden met de daarbij behorende bermstroken, watergangen, taluds, geluidswallen en - schermen en beplantingen. Op die gronden is het oprichten van niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen, viaducten, open tunnelbakken, geluidsschermen, duikers, ecotunnels en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

2.6.    De gemeenteraad klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het al dan niet binnen de 50 dB(A)-contour gesitueerd zijn van woningen niet van belang is bij de beslissing op een verzoek om vergoeding van planschade en dat een redelijk denkend en handelend koper zich bij het bepalen van de koopprijs niet door aantallen decibellen laat leiden. Volgens hem heeft zij voorts ten onrechte betekenis toegekend aan mogelijk ver na het inwerkingtreden van de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel mogelijk optredende geluidsbelasting. Volgens de gemeenteraad heeft de rechtbank bovendien miskend dat de door de StAB voor 2004, 2005 en 2010 berekende geluidbelasting van de woning van [wederpartij] niet reëel is, omdat daarbij van onjuiste gegevens over de intensiteit van het verkeer is uitgegaan.

2.7.       De klacht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd slaagt. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de verzoeker in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is, zowel wat betreft het oude, als het nieuwe planologische regime, niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal mocht of mag worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking in feite heeft plaatsgevonden of plaatsvindt.

De rechtbank had dan ook te onderzoeken of de gemeenteraad zich op grond van het SAOZ-advies op het standpunt mocht stellen dat vergelijking van de planologische situatie van [wederpartij] onder het bestemmingsplan met die onder het daaraan voorafgaande regime tot de conclusie leidt dat deze door het nieuwe regime niet in een nadeliger positie is gekomen. Zij is ten onrechte buiten dat kader getreden.

2.8.       Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen, om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Zij dient te onderzoeken of de gemeenteraad bij de beoordeling van de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het bestemmingsplan op de peildatum van een reële prognose  van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsbelasting is uitgegaan en zich op het standpunt mocht stellen dat die belasting niet zodanig is, dat het nieuwe regime, dat de aanleg van de N211 mogelijk heeft gemaakt, tot planologische verslechtering voor [wederpartij] met een daaraan gekoppelde waardevermindering van diens woning heeft geleid.

2.9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2006 in zaak no. AWB 03/4674;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zijlstra

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

240