Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604175/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een reparatieloods met kantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604175/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2739 van de rechtbank Breda van 25 april 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een reparatieloods met kantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, voor zover dit is gemaakt door appellante, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 5 juli 2006. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P.M. van Tiel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Havengebied Drimmelen" (hierna: het bestemmingsplan) geldt voor het perceel de bestemming "Havenindustrie".

   Ingevolge artikel 8, aanhef, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor industriedoeleinden, geen A-inrichtingen zijnde, gericht op de scheepsbouw en daarmee aanverwante bedrijfsvormen, alsmede detailhandel in goederen verbonden met scheepsbouw en watersport, voor zover aangeduid met "detailhandel toegestaan".

   Ingevolge artikel 8, lid A, onder a en d, van de planvoorschriften mogen op de tot "Havenindustrie" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen woningen zijnde, ten behoeve van de in de aanhef van dit artikel genoemde doeleinden, met inachtneming van het navolgende:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

(…)

d. de goothoogte van gebouwen mag niet meer dan 6 m en de hoogte niet meer dan 9 m bedragen.

   Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:

a. het aansluitend terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en

b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

2.2.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 8, lid A, onder a en onder d, van de planvoorschriften. Teneinde bouwvergunning voor het project te kunnen verlenen, heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Bro, om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, omdat het perceel zich binnen de bebouwde kom bevindt. Appellante wijst er in dit verband op dat het perceel in het bestemmingsplan "Havengebied Drimmelen" is opgenomen en dat het havengebied niet als bebouwde kom kan worden aangemerkt.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 oktober 2000 in zaak no. E01.98.0251 (BR 2001, p. 106) is de vraag of een perceel al dan niet in het buitengebied ligt, een vraag van feitelijke aard. De naam van het bestemmingsplan "Havengebied Drimmelen" is derhalve, anders dan appellante betoogt, niet relevant voor de vraag of het perceel zich binnen de bebouwde kom bevindt. Gelet op de omstandigheid dat het perceel is gelegen in een gebied waar zich meerdere woningen bevinden waarbij een structurele samenhang van de bebouwing in ruimtelijke zin aanwezig is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het perceel tot een cluster van bebouwing behoort die in het dagelijks taalgebruik als "bebouwde kom" wordt aangeduid.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gehele onbebouwde perceel moet worden aangemerkt als aansluitend terrein in de zin van artikel 20, eerste lid, van het Bro.

Hiertoe voert zij aan dat volgens de plankaart slechts binnen de bebouwingsgrens mag worden gebouwd. Daarbij wijst zij erop dat voor zover buiten het bouwvlak zou mogen worden gebouwd, gebouwen in ieder geval niet zijn toegestaan.

2.4.1.    De Nota van Toelichting bij artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Bro vermeldt dat met ‘aansluitend terrein’ wordt bedoeld "het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat kan een op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven begrensd bouwvlak zijn, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten of een begrensd bouwperceel, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw of een ander gebouw moet dus gerealiseerd worden binnen dergelijke ten behoeve van bebouwing begrensde gronden.".

2.4.2.    Het betoog van appellante slaagt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 september 2006 in zaak no. 200600002/1 (AB 2007, 61) overweegt de Afdeling dat gronden waarop ingevolge de planvoorschriften gebouwen niet zijn toegelaten, niet zijn aan te merken als aansluitend terrein in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, Bro 1985. Ingevolge artikel 8, lid A, van de planvoorschriften mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Dit bouwvlak moet daarom als het aansluitend terrein in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Bro worden aangemerkt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het gehele perceelsgedeelte dat nog onbebouwd is als zodanig moet worden beschouwd. De Afdeling voegt hier volledigheidshalve aan toe dat het nog onbebouwde perceelsgedeelte groter is dan het bouwvlak.

2.5.    Het hoger beroep van appellante is gegrond. Nu het resultaat van de uitspraak, voor zover aangevallen, echter juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop hij rust, te worden bevestigd.

2.6.    Het college dient ten aanzien van appellante op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van appellante gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waar deze op rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers                                      w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

163-543.