Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604102/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 14 juni 2004 en 27 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [locatie], (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604102/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2925 van de rechtbank Breda van 25 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 14 juni 2004 en 27 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [locatie], (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het college de door appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op 25 april 2006, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het realiseren van een bedrijfswoning bij een aardbeienbedrijf, gericht op de selectie, opkweek en vermeerdering van aardbeiplanten.

2.2.    Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet (hierna: Ww) mag slechts en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.3.    Op het perceel rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" de bestemming "agrarische bedrijven".

   Ingevolge artikel 2.1, onder B, aanhef en onder 2, aanhef en sub e, van de planvoorschriften mag de voor "agrarische bedrijven" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de doeleindenomschrijving aangegeven bestemming, met in acht name van de hierna gestelde eis dat voor het bouwen van bedrijfswoningen geldt dat een nieuwe 1e of 2e bedrijfswoning, indien nog niet aanwezig, niet is toegestaan, behoudens vrijstelling.

   Ingevolge artikel 3.2 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd op grond van en met inachtneming van het bepaalde in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en met inachtname van artikel 3.0 en artikel 3.2.7 van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf op de voor "agrarische bedrijven" bestemde grond.

   Ingevolge artikel 3.2.7, aanhef en tweede en vierde gedachtenstreepje, van de planvoorschriften gelden bij de bouw van een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf de voorwaarden dat er sprake dient te zijn van een volwaardig bedrijf of een bedrijf dat op korte termijn volwaardig wordt en dient er vooraf advies te worden ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: de AAB).

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het bedrijf van appellant geen volwaardig bedrijf is en ook op korte termijn niet zal worden. Appellant voert hiertoe aan dat de AAB ten onrechte van de veronderstelling uitgaat dat appellant de activiteiten die hij bij derden heeft ondergebracht niet zelf uitvoert. Onder verwijzing naar een rapport van 2 april 2004 van DLV Plant B.V., Marktgroep Aardbei, stelt appellant dat hij deze activiteiten echter wel voor eigen rekening en risico uitvoert.

2.5.    Dit betoog faalt. Het college heeft zich op grond van negatieve adviezen van de AAB van 1 mei 2003, 18 mei 2004 en 23 december 2004 in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het bedrijf van appellant niet een volwaardig agrarisch bedrijf is en dat evenmin op korte termijn zal worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door appellant bij derden ondergebrachte activiteiten niet aan zijn bedrijfsvoering kunnen worden toegerekend. Uit de stukken komt naar voren dat een deel van de handelingen door deze derden worden verricht. Hierbij is het advies van de AAB van 23 december 2004 in aanmerking genomen, waarin staat vermeld dat appellant over die bedrijfsactiviteiten geen keuringsoverzicht van NAK-tuinbouw kon overleggen en een veilingoverzicht heeft verstrekt van een collega-teler. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat de teeltactiviteiten van appellant een omvang hebben van ongeveer een halve volwaardige arbeidskracht, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat zijn bedrijf een volwaardig bedrijf is of dat op korte termijn zal worden. Anders dan appellant aanvoert, heeft de AAB bij het uitbrengen van haar advies van 23 december 2004 ook beoordeeld of het bedrijf op korte termijn als volwaardig beschouwd kan worden. Zo concludeert de AAB dat zij niet kan overzien in hoeverre de teeltactiviteiten op het bedrijf van de aanvrager zich zullen ontwikkelen, nu appellant niet beschikt over een aantal essentiële voorzieningen.

   Het rapport van DLV Plant B.V., Marktgroep Aardbei, doet aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu hierin niet wordt geconcludeerd dat het bedrijf van appellant moet worden beschouwd als een (op korte termijn) volwaardig agrarisch bedrijf.

2.6.    Appellant voert aan dat artikel 3.2.7. van het bestemmingsplan voor het verlenen van vrijstelling niet een positief advies van de AAB verplicht stelt. Het college had aanleiding moeten zien ondanks de negatieve adviezen van de AAB vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

2.6.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft gemotiveerd overwogen dat in dit geval onvoldoende dringende redenen bestaan om van de negatieve adviezen af te wijken. Mede gezien overweging 2.5., heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling ingevolge artikel 15 van de WRO te weigeren.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling voor het bouwplan te verlenen ingevolge artikel 19 van de WRO.

2.8.    Dit betoog slaagt niet. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voert het college het beleid het aantal woningen in het buitengebied uit landbouwkundig en landschappelijk oogpunt niet te laten toenemen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen reden voor het oordeel dat het college in dit geval van dit beleid had moeten afwijken. De rechtbank heeft met juistheid hetzelfde overwogen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

163-543.