Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200603295/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2005, het bestemmingsplan "Gytsjerk - Oer de Feart II" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603295/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2005, het bestemmingsplan "Gytsjerk - Oer de Feart II" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 april 2006, kenmerk 637640, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2006, appellant sub 2 bij brief van 13 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2006, en appellant sub 3 bij brief van 17 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2007, waar appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door drs. J. Takkebos, en appellant sub 3, in persoon, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, vertegenwoordigd door B. Zwaagstra, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Appellanten sub 1 zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" tegenover het perceel De Draai 22

Het standpunt van appellanten

2.3.    [appellanten sub 1] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" tegenover het perceel De Draai 22.

   Volgens appellanten komt het speelterrein op te korte afstand van hun woning waardoor geluidsoverlast dreigt van kinderen (overdag) en jongeren ('s avonds). Ook vrezen appellanten het gebruik als hangplek (en daarmee sociale onveiligheid) en vermindering van hun privacy. Appellanten stellen dat voor een beter alternatief gekozen had kunnen worden.

Het standpunt van verweerder

2.3.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd.

   Verweerder stelt onder meer dat het speelterrein in overleg met de bewoners zal worden ingericht.

Vaststelling van de feiten

2.3.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.3.    Ter zitting is vastgesteld dat de afstand van de gevel van de woning van appellanten tot het plandeel vijftien meter is.

2.3.4.    Voor de plaats van het speelterrein is volgens de gemeenteraad gekozen in verband met de sociale veiligheid van de jonge kinderen voor wie het speelterrein wordt ingericht. Vanuit de omliggende woningen is de locatie goed zichtbaar. In het bestemmingsplan "Oer de Feart I" zijn geen speelvoorzieningen gerealiseerd. Door het speelterrein op de grens van de bestaande woonwijk en de nieuwe woonwijk aan te leggen is volgens de gemeenteraad goede bereikbaarheid vanuit beide woonwijken gegarandeerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.5.    Voor de vraag of het voorziene speelterrein geluidsoverlast en een verlies van privacy zal meebrengen is de afstand van de woning van appellanten tot het voorziene speelterrein van belang. Hoewel het speelterrein niet direct tegen het perceel van appellanten is gesitueerd, is, gelet op de in overweging 2.3.3. genoemde afstand, enige geluidsoverlast van spelende kinderen niet onaannemelijk. Ook van een vermindering van privacy kan sprake zijn nu het speelterrein aan de overzijde van de straat tegenover de woning van appellanten wordt aangelegd. De afstand en de aanwezigheid van een weg tussen het speelterrein en de woning van appellanten brengen echter mee dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat dit verlies aan privacy beperkt zal zijn. Tegenover de door appellanten aangevoerde nadelen van het speelterrein staan de door de gemeenteraad genoemde voordelen dat de plaats voor het speelterrein geschikt is gelet op de sociale veiligheid en de bereikbaarheid voor kinderen uit zowel de bestaande als de nieuwe woonwijk. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid, alle belangen afwegend, het standpunt heeft kunnen innemen dat aan het algemene belang dat is gebaat bij de aanleg van het speelterrein op de in het plan gekozen plaats meer gewicht toekomt dan aan de nadelen die dit voor appellanten meebrengt.

   Wat betreft het door appellanten aangevoerde argument dat het speelterrein in de avonduren door jongeren in gebruik zal worden genomen waardoor overlast dreigt, overweegt de Afdeling dat hoewel het speelterrein zal worden ingericht voor kleine kinderen, het gebruik door hangjongeren niet bij voorbaat kan worden uitgesloten. Het tegengaan van overlast door medegebruik door hangjongeren is echter in zoverre een zaak van handhaving van de openbare orde. Eventuele hinder moet dan ook in dat kader worden beoordeeld.

   Voor zover appellanten hebben betoogd dat ten onrechte alleen de thans gekozen locatie in ogenschouw is genomen voor het speelterrein, hoewel alternatieve locaties voorhanden zijn, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet. Verweerder heeft zich, nu de negatieve gevolgen van het plandeel beperkt zijn, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" aan de noordzijde van het plangebied

Het standpunt van appellanten

2.4.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" gelegen aan de noordzijde van het plangebied.     [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat het bestaande ruiterpad ten onrechte niet is bestemd als ruiterpad waardoor oneigenlijk gebruik dreigt. Volgens hem blijkt uit de plantoelichting en correspondentie dat het de bedoeling van de gemeenteraad is het pad uitsluitend als ruiterpad te gebruiken. Voorts heeft volgens [appellant sub 2] de toezegging van het gemeentebestuur dat geen verbindingspad zal worden aangelegd met het achter zijn woning gelegen ruiterpad ten onrechte geen neerslag gevonden in het bestemmingsplan. De bestemming "Groenvoorzieningen" sluit het verbindingspad volgens appellant niet uit.

   [appellant sub 3] heeft volstaan met een verwijzing naar onder meer de zienswijzen en bedenkingen en heeft geen argumenten tegen het bestreden besluit naar voren gebracht.

Het standpunt van verweerder

2.4.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd.

   Verweerder stelt dat de verbinding tevens bedoeld is voor fietsers en voetgangers. Het verbieden van gebruik door gemotoriseerd verkeer kan het gemeentebestuur door middel van de verkeerswetgeving regelen.

   Volgens verweerder bestaat - ondanks het gegeven dat dit niet in juridische zin is geregeld - volstrekte duidelijkheid over de wijze waarop het plan zal worden uitgevoerd nu is toegezegd dat op de door appellant bedoelde plaats geen verbinding zal worden aangelegd. Ter plaatse zullen alleen groenvoorzieningen worden aangelegd, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.3.    Het pad ligt aan de noordzijde van het plangebied op het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen".

2.4.4.    Ingevolge artikel 5, sub A., van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" bestemd voor groenvoorzieningen, paden, en in beperkte mate voor tuinen en erven, speelvoorzieningen, woonstraten, parkeervoorzieningen met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.4.5.    In de behandeling van de zienswijzen heeft de gemeenteraad gesteld dat aan de westzijde van het plangebied een verbinding zal worden gemaakt met het bestaande ruiterpad en dat deze verbinding kan worden gebruikt door fietsers en voetgangers.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.6.    Ter zitting is gebleken dat het pad van welk gebruik [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hinder vrezen ten noorden van hun woningen en daarmee buiten het plangebied is gelegen. Doordat het pad dat binnen het plangebied is voorzien niet slechts voor ruiters bestemd is, vrezen appellanten, mede door de niet uitgesloten verbinding, meer overlast van gebruikers op het pad ten noorden van hun woningen, dat in het verlengde van het in het bestemmingsplan voorziene pad ligt. Uit het vorenstaande volgt dat appellanten door het in het plan voorziene pad en de in het plan niet uitgesloten verbinding slechts indirect in hun belang getroffen kunnen worden.

   De Afdeling overweegt verder dat door het in het plan mogelijk gemaakte gebruik van het binnen het plangebied gelegen pad, in samenhang met de verdere verwezenlijking van de nieuwe wijk, een toename van de intensiteit van het gebruik van het ten noorden van de woningen van appellanten gelegen pad niet is uitgesloten. Gelet op de kenmerken van langzaam verkeer heeft verweerder zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de wijziging van het gebruik van het pad zal leiden tot veel overlast. Verweerder heeft voorts het standpunt kunnen innemen dat het gebruik van het pad verder wordt gereguleerd door de verkeersregelgeving. Ander gebruik dan ten behoeve van langzaam verkeer kan derhalve in dat kader worden tegengegaan.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder meer gewicht aan hun belang zou hebben moeten toekennen.

Tijdelijke ontsluiting voor bouwverkeer

Het standpunt van appellant

2.5.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, eerste lid, onder 1.1.2., tweede liggend streepje, van de planvoorschriften.

   Appellant stelt dat de voorwaarde in de beschrijving in hoofdlijnen inzake de tijdelijke ontsluiting via de betonweg onvoldoende objectief begrensd is wat betreft de tijdsduur en de locatie, waardoor er strijd is met de rechtszekerheid. Appellant vreest permanent gebruik van de ontsluiting.

Het standpunt van verweerder

2.5.1.    Verweerder heeft het planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft dit goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder 1.1.2., tweede liggend streepje, van de planvoorschriften, zal de tijdelijke ontsluiting van het woongebied voor bouwverkeer plaatsvinden via het betonpad aan de noordzijde van het plangebied richting Sanjesreed.

2.5.4.    De tijdelijke weg wordt gesitueerd tussen de nieuwe woonwijk en de Sanjesreed en ligt daarmee grotendeels buiten het plangebied. Deze gronden hebben grotendeels een agrarische bestemming. Binnen het plangebied komt de tijdelijke ontsluiting ondermeer over een deel van de plandelen met respectievelijk de bestemmingen "Groenvoorzieningen" en "Water".

Het oordeel van de Afdeling

2.5.5.    Er bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 3, eerste lid, onder 1.1.2., tweede liggend streepje, van de planvoorschriften, in strijd is met de rechtszekerheid. Hoewel geen tijdsduur of exacte plaats in de bepaling is opgenomen, is voldoende duidelijk dat de bepaling uitsluitend ziet op een tijdelijke ontsluiting die slechts is bedoeld voor de afwikkeling van het bouwverkeer. Voorts ligt deze ontsluiting grotendeels buiten het plangebied en dient, gelet op de bestemmingen van de gronden waarover deze ontsluiting loopt, eerst een vrijstellingsprocedure te worden gevolgd.

Gebrekkige ontsluiting voor extra woonverkeer

Het standpunt van appellanten

2.6.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen", gelegen in het zuiden van het plangebied.

   [appellant sub 2] stelt dat de hinder op de Tille onevenredig toeneemt door het extra verkeer als gevolg van de nieuwe wijk. Volgens hem is ten onrechte niet gekozen voor een zelfstandige ontsluiting voor de nieuwe wijk.

   [appellant sub 3] heeft volstaan met een verwijzing naar onder meer de zienswijzen en bedenkingen en heeft geen argumenten tegen het bestreden besluit naar voren gebracht.

Het standpunt van verweerder

2.6.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd.

   Verweerder heeft zich aangesloten bij het standpunt van de gemeenteraad dat een zelfstandige ontsluiting van het plangebied niet noodzakelijk is omdat de capaciteit van de Tille groot genoeg is voor de totale woonwijk Oer de Feart I en II.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    Volgens de stukken heeft de gemeenteraad vier opties voor een zelfstandige ontsluiting van het plangebied overwogen. Vanwege praktische onuitvoerbaarheid, grote gevolgen voor de aanwezige natuurwaarden, ernstige vertraging van de planuitvoering, verkeerskundige redenen en de kosten is uiteindelijk niet voor één van deze opties gekozen en is besloten de woonwijk te ontsluiten op de Tille via het bestaande woongebied ten oosten van het plangebied (Oer de Feart I). Volgens de stukken acht de gemeenteraad vanuit het oogpunt van verkeersintensiteit en verkeersveiligheid een zelfstandige ontsluiting niet noodzakelijk.

2.6.4.    Volgens de plantoelichting en artikel 3, onder 1.1.1., van de planvoorschriften zullen in het plangebied in totaal ongeveer 54 woningen worden verwezenlijkt. Volgens de gemeenteraad is uit berekeningen gebleken dat het totale aantal verkeersbewegingen op De Tille op basis van een planomvang van ongeveer 125 woningen (Oer de Feart I en II), maximaal 600 per etmaal zal zijn. In de plantoelichting staat dat is aangesloten bij de Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen van het kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW). Volgens de toelichting kan de weg worden gekwalificeerd als een erftoegangsweg waarvoor een bovengrens van 5000 à 6000 verkeersbewegingen per etmaal wordt gehanteerd zodat de ontsluitingsweg hieraan ruimschoots voldoet.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.5.    Met de bouw van de in het plan voorziene 54 woningen zal de intensiteit van het gebruik van de Tille als ontsluitingsweg toenemen. Het is aannemelijk dat deze toename in gebruik eveneens een toename van de hinder voor de bewoners van de Tille met zich zal brengen. Gelet op de in overweging 2.6.4. weergegeven berekening heeft de gemeenteraad er rekening mee gehouden dat niet alleen bewoners van de bestaande wijk maar ook bewoners van de nieuwe wijk gebruik zullen gaan maken van de Tille als ontsluitingsweg en dat het gebruik van de Tille daarmee intensiever zal worden dan het huidige gebruik. Appellanten hebben niet gesteld dat de berekeningen onjuist zijn of dat is uitgegaan van een onjuiste norm voor de beoordeling van de capaciteit van wegen.

Zoals weergegeven in overweging 2.6.3. heeft de gemeenteraad de mogelijkheden voor een zelfstandige ontsluiting onderzocht en is uiteindelijk een afweging gemaakt waarbij is besloten de ontsluiting van de nieuwe woonwijk af te wikkelen via de bestaande woonwijk. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat voor verweerder aanleiding had moeten bestaan het standpunt in te nemen dat de keuze van de gemeenteraad onaanvaardbaar is. Hoewel het aantal verkeersbewegingen op de Tille en daarmee de hinder zal toenemen heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat deze toename niet zo groot is dat dit opweegt tegen de voordelen van de gekozen ontsluiting. De Afdeling neemt hierbij tevens in aanmerking dat [appellant sub 2] op dit punt geen nadere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zijn stelling ondersteunen.

Verleggen plangrens en uitbreiding van het dorp

Het standpunt van appellant

2.7.    [appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan een deel van de plangrens. Volgens appellant zijn de woningen aan de Canterlandseweg 50 en 52 ten onrechte niet in het plan opgenomen en wordt het dorp steeds verder uitgebreid.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft de plangrens niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze goedgekeurd.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.2.    [appellant sub 3] heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

Eindoordeel

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vorengenoemde plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze plandelen.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                w.g. Langeveld

Voorzitter              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

317-535.