Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604660/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, Directie HSL-Zuid, Projectbureau Noord (hierna: de Minister) vrijstelling en bouwvergunningen verleend voor het plaatsen van reclameborden ten noorden van De Lasso-Noord te Roelofsarendsveen, op de percelen sectie […] nrs. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604660/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6199 van de rechtbank

's-Gravenhage van 2 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkemade.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, Directie HSL-Zuid, Projectbureau Noord (hierna: de Minister) vrijstelling en bouwvergunningen verleend voor het plaatsen van reclameborden ten noorden van De Lasso-Noord te Roelofsarendsveen, op de percelen sectie […] nrs. […].

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2006, verzonden op 7 juni 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, voor zover appellant in dit besluit in zijn bezwaar is ontvangen en bepaald dat deze uitspraak (in zoverre) in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 juli 2006 heeft de vergunninghouder een reactie ingediend. Bij brief van 21 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Weide zijn verschenen. Voorts is de Minister, vertegenwoordigd door P.A.R. van Katwijk en mr. M. Hubbers, bijgestaan door mr. I.W. Neleman, advocaat te 's Gravenhage, als partij gehoord.

2    Overwegingen

2.1.    Bij de uitspraak van de rechtbank is de beslissing op bezwaar vernietigd voor zover het college appellant in zijn bezwaar ontvankelijk heeft geacht. Het betoog van appellant, dat met deze vernietiging door de rechtbank de verleende bouwvergunningen zijn vernietigd, faalt.

2.2.    De Minister heeft de bouwvergunningen aangevraagd met het doel appellant een alternatief te bieden voor zijn megabillboards op een locatie die is onteigend wegens de verbreding van de A4 ter plaatse.

2.3.    Het betoog van appellant dat zijn belang rechtstreeks is betrokken bij de bouwvergunningen voor de reclameborden, omdat de Minister deze uitsluitend ten behoeve van hem heeft aangevraagd, faalt.

2.4.        De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant - die geen rechthebbende is op de grond waarop het bouwplan is voorzien, dan wel op de daaraan grenzende percelen - slechts in een (pre)contractuele relatie tot de Minister staat. De rechtbank is op grond daarvan tot het juiste oordeel gekomen dat appellant slechts een afgeleid belang heeft bij de bouwvergunningen, zodat zijn belang daarbij niet rechtstreeks is betrokken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het belang van appellant is er in gelegen dat de Minister hem deze locatie niet als alternatieve locatie aanbiedt ter compensatie voor de locatie die door onteigening voor hem verloren is gegaan. Dit maakt echter niet dat zijn belang rechtstreeks is betrokken bij het verlenen van een bouwvergunning waarvan bovendien, zoals ter zitting uitdrukkelijk is toegezegd door het college en de Minister, alleen gebruik wordt gemaakt indien de Minister en appellant op het punt van de compensatie tot overeenstemming komen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de bezwaren van appellant tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunningen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de toepassing van de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening faalt eveneens. Nu de rechtbank het bezwaarschrift van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft geacht, kon de rechtbank niet toekomen aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.

2.6.    De Afdeling constateert ambtshalve dat de rechtbank de beslissing op bezwaar van 25 oktober 2005 ten onrechte slechts gedeeltelijk heeft vernietigd en heeft verzuimd het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar van 25 oktober 2005 vernietigen voor zover de rechtbank dit niet reeds heeft gedaan en het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2005 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 2 juni 2006 reg.no. AWB 05/6199 voor zover daarbij het besluit van 25 oktober 2005, kenmerk ts068 in stand is gelaten en is verzuimd het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2005 niet-ontvankelijk te verklaren;

II.    vernietigt het besluit van 25 oktober 2005, voor zover de rechtbank dit niet reeds heeft gedaan;

III.    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2005 niet-ontvankelijk;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak voor zover deze is vernietigd;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

VI.    bepaalt  dat de Secretaris van de Raad van State het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep aan hem terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

17-544.