Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604344/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan het Waterschap Rivierenland (hierna: het Waterschap) een aanlegvergunning verleend voor het creëren van een flauwer profiel van het afwateringskanaal Midden, in het deelproject 1, locatie 2 (hierna: de werkzaamheden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604344/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 06/147 en 06/1880 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 19 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan het Waterschap Rivierenland (hierna: het Waterschap) een aanlegvergunning verleend voor het creëren van een flauwer profiel van het afwateringskanaal Midden, in het deelproject 1, locatie 2 (hierna: de werkzaamheden).

Bij besluit van 1 december 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2006, verzonden op 2 mei 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 oktober 2006 heeft het Waterschap een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg en het college, vertegenwoordigd door, T.J.A. van Tilborg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is het Waterschap, als belanghebbende, vertegenwoordigd door, mr. J.T.G.M. van Dinther en M.M. Oudenes-Graveland, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden strekken ten dienste van de ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" (hierna: het bestemmingsplan) op de gronden, waarop de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd, rustende bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden (AL)" met code (kl) "kleinschalig landschap met reliëf (kl)".

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) mag de aanlegvergunning alleen en moet die worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschapswaarden (AL)" met code "kleinschalig landschap met reliëf (kl)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijvigheid en instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschapswaarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen de landschapswaarden die zijn vermeld bij de code, waarmee de desbetreffende gronden op de plankaart zijn aangeduid.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning) op en in de gronden met de aanduiding "kleinschalig landschap met reliëf" de daarbij aangegeven werken en werkzaamheden uit te voeren: verlagen van de bodem, afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden.

   Ingevolge artikel 27, derde lid, zijn werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 1 slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daaraan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen,

- niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel

- de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.3.    Alvorens toe te komen aan de vraag of de werkzaamheden in overeenstemming zijn met artikel 27, derde lid, van de planvoorschriften, moet, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 juni 2003 in zaak no. 200204864/1, de daaraan voorafgaande vraag, of deze werkzaamheden strekken ten dienste van de op het perceel rustende bestemming, worden beantwoord.

   De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de werkzaamheden niet ten dienste staan van de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden (AL)" met code "kleinschalig landschap met reliëf (kl)". Anders dan appellant betoogt kan het creëren van een flauwer profiel op de strook grond langs het afwateringskanaal niet als strijdig met deze bestemming worden aangemerkt, nu daarmee het gebruik van deze gronden in overeenstemming met de bestemming niet onmogelijk wordt gemaakt en de landschapswaarden behouden blijven.

2.4.    Het in het bestemmingsplan neergelegde vergunningenstelsel ziet, voor zover thans van belang, alleen op gronden met de aanduiding "kleinschalig landschap met reliëf". De agrarische functie is niet een functie die het bestemmingsplan beoogt te beschermen met het aanlegvergunningenstelsel. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de door appellant gevreesde aantasting van zijn agrarische belangen in dat verband niet die betekenis kan worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien.

   De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat door de werkzaamheden de door de toekenning van de aanduiding "kleinschalig landschap met reliëf" beschermde waarden onevenredig worden aangetast. De aanlegvergunning voldoet dan ook, anders dan appellant betoogt, aan de in artikel 27, derde lid, van de planvoorschriften gestelde voorwaarden.

2.5.    Het betoog van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen faalt. Het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de WRO sluit uit dat een aanlegvergunning wordt geweigerd op andere gronden dan genoemd in dit artikel. Gelet op de bewoordingen van dit artikel is voor een belangenafweging geen plaats.

2.6.    Gelet op het voorgaande is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen als bedoeld in artikel 44 van de WRO. De voorzieningenrechter is met recht tot de conclusie gekomen dat het college terecht een aanlegvergunning voor de werkzaamheden heeft verleend.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                               w.g. Van Heusden

Voorzitter                                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

163-444.